Overzicht
Nederlands naar Engels:   Meer gegevens...
  1. begin:
  2. beginnen:
  3. Wiktionary:
  4. Gebruikers suggesties voor begin:
    • onset, inception, offset


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor begin (Nederlands) in het Engels

begin:

begin [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het begin (aanvang; opening; start; inzet)
    the beginning; the commencement; the start; the outset; the opening
    • beginning [the ~] zelfstandig naamwoord
    • commencement [the ~] zelfstandig naamwoord
    • start [the ~] zelfstandig naamwoord
    • outset [the ~] zelfstandig naamwoord
    • opening [the ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor begin:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
beginning aanvang; begin; inzet; opening; start aanhef; aanheffen; aansnijden; aanvangen; beginne; beginnen; entameren; hoofd; inzetten; titel
commencement aanvang; begin; inzet; opening; start
opening aanvang; begin; inzet; opening; start afzetgebied; afzetmarkt; barst; bijt; gat; groef; inkeping; kloof; ontsluiten; ontsluiting; opening; openlegging; openmaken; openstelling; reet; scheur; spleet; split; tussenruimte; uitsparing; wak
outset aanvang; begin; inzet; opening; start
start aanvang; begin; inzet; opening; start aanzet; initiatief
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
start aanbinden; aanbreken; aandoen; aangaan; aanknopen; aanmaken; aanvangen; aanzetten; afreizen; beginnen; een begin nemen; heengaan; inleiden; inluiden; inschakelen; intreden; inzetten; lanceren; omhoogkomen; ondernemen; op de markt brengen; op gang komen; openen; opstarten; opstijgen; opvliegen; starten; uitgeven; van start gaan; van wal gaan; van wal steken; verdwijnen; verlaten; wegreizen; wegtrekken
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
opening inleidend; introducerend; voorafgaand; voorgaand

Verwante woorden van "begin":


Synoniemen voor "begin":


Antoniemen van "begin":


Verwante definities voor "begin":

  1. wat het eerst gebeurt, wat je het eerst doet1
    • het begin van dit boek is prachtig, het einde valt tegen.1

Wiktionary: begin

begin
noun
  1. het eerste deel
begin
noun
  1. time at which something begins
  2. initial portion of some extended thing
  3. that which begins or originates something
  4. that which is begun
  5. act of doing that which begins anything
  6. -
adjective
  1. Chronologically first, early; of or pertaining to the beginning
  2. Spatially first, placed at the beginning, in the first position
verb
  1. -

Cross Translation:
FromToVia
begin start Aufnahme — das Beginnen von etwas
begin start Anfang — zeitlicher oder räumlicher Beginn oder Ausgangspunkt eines Vorgangs oder einer Sache

beginnen:

beginnen werkwoord (begin, begint, begon, begonnen, begonnen)

  1. beginnen (aanvangen; starten; van start gaan)
    to begin; to commence; to start; to take off; to undertake; to take on; to set up; to set in motion; to start to; to strike up
    • begin werkwoord (begins, beginning)
    • commence werkwoord (commences, commenced, commencing)
    • start werkwoord (starts, started, starting)
    • take off werkwoord (takes off, took off, taking off)
    • undertake werkwoord (undertakes, undertook, undertaking)
    • take on werkwoord (takes on, took on, taking on)
    • set up werkwoord (sets up, set up, setting up)
    • set in motion werkwoord (sets in motion, set in motion, setting in motion)
    • start to werkwoord (starts to, started to, starting to)
    • strike up werkwoord (strikes up, struck up, striking up)
  2. beginnen (een begin nemen; aanbreken)
    to commence; to begin; to start; to take off; to get under way; to break into; to open; to be off
    • commence werkwoord (commences, commenced, commencing)
    • begin werkwoord (begins, beginning)
    • start werkwoord (starts, started, starting)
    • take off werkwoord (takes off, took off, taking off)
    • get under way werkwoord (gets under way, got under way, getting under way)
    • break into werkwoord (breaks into, broke into, breaking into)
    • open werkwoord (opens, opened, opening)
    • be off werkwoord (is off, being off)
  3. beginnen (aanknopen; aanbinden)
    to begin; to start; to take on; to enter into
    • begin werkwoord (begins, beginning)
    • start werkwoord (starts, started, starting)
    • take on werkwoord (takes on, took on, taking on)
    • enter into werkwoord (enters into, entered into, entering into)
  4. beginnen (inluiden; starten)
    to herald; to ring in; to start; to begin; to open
    • herald werkwoord (heralds, heralded, heralding)
    • ring in werkwoord (rings in, rang in, ringing in)
    • start werkwoord (starts, started, starting)
    • begin werkwoord (begins, beginning)
    • open werkwoord (opens, opened, opening)
  5. beginnen (op gang komen; inzetten; intreden)
    to commence; to set in; to start; to begin; to get under way; to take off; to be off
    • commence werkwoord (commences, commenced, commencing)
    • set in werkwoord (sets in, set in, setting in)
    • start werkwoord (starts, started, starting)
    • begin werkwoord (begins, beginning)
    • get under way werkwoord (gets under way, got under way, getting under way)
    • take off werkwoord (takes off, took off, taking off)
    • be off werkwoord (is off, being off)

Conjugations for beginnen:

o.t.t.
  1. begin
  2. begint
  3. begint
  4. beginnen
  5. beginnen
  6. beginnen
o.v.t.
  1. begon
  2. begon
  3. begon
  4. begonnen
  5. begonnen
  6. begonnen
v.t.t.
  1. ben begonnen
  2. bent begonnen
  3. is begonnen
  4. zijn begonnen
  5. zijn begonnen
  6. zijn begonnen
v.v.t.
  1. was begonnen
  2. was begonnen
  3. was begonnen
  4. waren begonnen
  5. waren begonnen
  6. waren begonnen
o.t.t.t.
  1. zal beginnen
  2. zult beginnen
  3. zal beginnen
  4. zullen beginnen
  5. zullen beginnen
  6. zullen beginnen
o.v.t.t.
  1. zou beginnen
  2. zou beginnen
  3. zou beginnen
  4. zouden beginnen
  5. zouden beginnen
  6. zouden beginnen
diversen
  1. begin!
  2. begint!
  3. begonnen
  4. beginnend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

beginnen [znw.] zelfstandig naamwoord

  1. beginnen (aanvangen)
    the commencing; the beginning; the starting

Vertaal Matrix voor beginnen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
beginning aanvangen; beginnen aanhef; aanheffen; aansnijden; aanvang; begin; beginne; entameren; hoofd; inzet; inzetten; opening; start; titel
commencing aanvangen; beginnen
herald aankondiger; aanwijzing; heraut; voorbode; voorloper; voorteken
open vrije ruimten
start aanvang; aanzet; begin; initiatief; inzet; opening; start
starting aanvangen; beginnen aanheffen; aansnijden; afreis; afvaart; afvaren; entameren; inzetten; uitvaren; vertrek
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
be off aanbreken; beginnen; een begin nemen; intreden; inzetten; op gang komen 'm piepen; 'm smeren; de plaat poetsen; ervandoor gaan; hem smeren; omhoogkomen; opstijgen; opvliegen; zich uit de voeten maken
begin aanbinden; aanbreken; aanknopen; aanvangen; beginnen; een begin nemen; inluiden; intreden; inzetten; op gang komen; starten; van start gaan engageren; erbij betrekken; inviteren; uitnodigen
break into aanbreken; beginnen; een begin nemen binnendringen; binnenvallen; indringen; infiltreren; invallen; penetreren
commence aanbreken; aanvangen; beginnen; een begin nemen; intreden; inzetten; op gang komen; starten; van start gaan
enter into aanbinden; aanknopen; beginnen aangaan; aanknopen; boeken; inboeken; noteren; opschrijven; optekenen; registreren; vastleggen
get under way aanbreken; beginnen; een begin nemen; intreden; inzetten; op gang komen
herald beginnen; inluiden; starten
open aanbreken; beginnen; een begin nemen; inluiden; starten inleiden; losgaan; loskrijgen; ontgrendelen; ontsluiten; open krijgen; opendoen; opendraaien; openen; opengaan; opengooien; openklappen; openmaken; openslaan; openwerpen
ring in beginnen; inluiden; starten
set in beginnen; intreden; inzetten; op gang komen losbreken; zich met geweld losbreken
set in motion aanvangen; beginnen; starten; van start gaan beroeren; bewegen; in beweging brengen
set up aanvangen; beginnen; starten; van start gaan aanbrengen; aanleggen; bouwen; construeren; inrichten; installeren; monteren en aansluiten; oprichten; optrekken; overeindzetten; plaatsen; plannen
start aanbinden; aanbreken; aanknopen; aanvangen; beginnen; een begin nemen; inluiden; intreden; inzetten; op gang komen; starten; van start gaan aandoen; aangaan; aanmaken; aanzetten; afreizen; heengaan; inleiden; inschakelen; lanceren; omhoogkomen; ondernemen; op de markt brengen; openen; opstarten; opstijgen; opvliegen; starten; uitgeven; van wal gaan; van wal steken; verdwijnen; verlaten; wegreizen; wegtrekken
start to aanvangen; beginnen; starten; van start gaan
strike up aanvangen; beginnen; starten; van start gaan opspelen; opspelen kaartspel
take off aanbreken; aanvangen; beginnen; een begin nemen; intreden; inzetten; op gang komen; starten; van start gaan afdoen; afhandelen; afreizen; afsteken; afvaren; beslechten; de hoogte ingaan; heengaan; in de lucht omhoogstijgen; kopiëren; nabootsen; namaken; omhoogkomen; ontkleden; opstappen; opstijgen; opvliegen; smeren; stijgen; twist uit de weg ruimen; uitdoen; uitkleden; uittrekken; verdwijnen; verlaten; vertrekken; verwijderen; weggaan; wegreizen; wegtrekken; wegvaren
take on aanbinden; aanknopen; aanvangen; beginnen; starten; van start gaan aannemen; aanpakken; aanvaarden; accepteren; onderhanden nemen; op zich nemen; van plan zijn
undertake aanvangen; beginnen; starten; van start gaan aangaan; ondernemen
- oprichten; starten; stichten
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
open benaderbaar; eerlijk; frank; genaakbaar; gulweg; niet dicht; onbedekt; onbewimpeld; onomwonden; onoverdekt; onverholen; onverhuld; open; openhartig; oprecht; rechtschapen; rechttoe; ronduit; toegankelijk; vrij; vrijelijk; vrijuit
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
set up gesticht; opgericht

Verwante woorden van "beginnen":


Synoniemen voor "beginnen":


Antoniemen van "beginnen":


Verwante definities voor "beginnen":

  1. het laten ontstaan1
    • ?1
  2. het gaan doen1
    • zuchtend begint Jan met zijn huiswerk1

Wiktionary: beginnen

beginnen
verb
  1. aanvangen
  2. initiëren
beginnen
verb
  1. to begin; to start
  2. to start
  3. To start, to initiate or take the first step into something.
  4. to start an activity
  5. to begin
  6. to put or raise a question or objection, to put forward
  7. of an activity, to begin
  8. -
noun
  1. beginning of an activity
  2. -

Cross Translation:
FromToVia
beginnen begin; start; commence beginnen — (transitiv) etwas in Gang setzen, etwas starten, etwas anfangen
beginnen begin; commence; start; collide with; crash into; bring up; broach; land; address; accost; hitch on; hook on; attach; approach; deal with; tackle; berth aborder — intransitif|fr marine|fr arriver au bord, prendre terre.
beginnen begin; commence; start commencerengager une action ; entreprendre une tâche.
beginnen begin; commence; start débutercommencer.

Verwante vertalingen van begin