Overzicht
Nederlands naar Engels:   Meer gegevens...
  1. zemelen:
  2. zemel:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor zemelen (Nederlands) in het Engels

zemelen:

zemelen werkwoord (zemel, zemelt, zemelde, zemelden, gezemeld)

  1. zemelen
    to twaddle; to whine
    • twaddle werkwoord (twaddles, twaddled, twaddling)
    • whine werkwoord (whines, whined, whining)

Conjugations for zemelen:

o.t.t.
  1. zemel
  2. zemelt
  3. zemelt
  4. zemelen
  5. zemelen
  6. zemelen
o.v.t.
  1. zemelde
  2. zemelde
  3. zemelde
  4. zemelden
  5. zemelden
  6. zemelden
v.t.t.
  1. heb gezemeld
  2. hebt gezemeld
  3. heeft gezemeld
  4. hebben gezemeld
  5. hebben gezemeld
  6. hebben gezemeld
v.v.t.
  1. had gezemeld
  2. had gezemeld
  3. had gezemeld
  4. hadden gezemeld
  5. hadden gezemeld
  6. hadden gezemeld
o.t.t.t.
  1. zal zemelen
  2. zult zemelen
  3. zal zemelen
  4. zullen zemelen
  5. zullen zemelen
  6. zullen zemelen
o.v.t.t.
  1. zou zemelen
  2. zou zemelen
  3. zou zemelen
  4. zouden zemelen
  5. zouden zemelen
  6. zouden zemelen
diversen
  1. zemel!
  2. zemelt!
  3. gezemeld
  4. zemelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor zemelen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
twaddle apekool; flauwekul; gebazel; gebeuzel; geklets; geleuter; gelul; gewauwel; gezwam; gezwets; humbug; klets; kletskoek; kolder; kolderverhaal; kul; larie; leuterpraat; nonsens; rimram; waanzin
whine jank; snik
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
twaddle zemelen kletspraat verkopen; lullen; zeveren; zwammen; zwetsen
whine zemelen brullen; dreinen; drenzen; dwingend huilen; emmeren; gillen; grienen; huilen; janken; jengelen; kermen; snikken; snotteren; temen

Verwante woorden van "zemelen":


Wiktionary: zemelen

zemelen
noun
  1. voeding|nld de met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen, die vrij komen bij het tot meel malen van de graankorrel

Cross Translation:
FromToVia
zemelen carp; cavil; grizzle; beef; crab; grouse; kvetch; grouch; niggle; nag; whine; nudge; noodge nörgelnpenetrant/störend, aber nicht aggressiv seinen Unmut äußern
zemelen bran sonrésidu de la mouture du blé et d’autres céréales, provenant du péricarpe des grains.

zemelen vorm van zemel:

zemel [de ~] zelfstandig naamwoord

  1. de zemel (zeurkous; geitenbreier; zeikerd; zeurpiet; zeur)
    the yellowbelly; the bugger
    • yellowbelly [the ~] zelfstandig naamwoord
    • bugger [the ~] zelfstandig naamwoord, Amerikaans
    the nag
    – someone (especially a woman) who annoys people by constantly finding fault 1
    • nag [the ~] zelfstandig naamwoord
    the pain in the ass
    – something or someone that causes trouble; a source of unhappiness 1
    the creep
    – someone unpleasantly strange or eccentric 1
    • creep [the ~] zelfstandig naamwoord
    the bore
    – a person who evokes boredom 1
    • bore [the ~] zelfstandig naamwoord
    the pain in the neck
    – a bothersome annoying person 1

Vertaal Matrix voor zemel:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bore geitenbreier; zeikerd; zemel; zeur; zeurkous; zeurpiet diameter; hinderlijk persoon; lastpak; lastpost; middellijn
bugger geitenbreier; zeikerd; zemel; zeur; zeurkous; zeurpiet
creep geitenbreier; zeikerd; zemel; zeur; zeurkous; zeurpiet engerd; etter; etterbak; griezel; griezeltje
nag geitenbreier; zeikerd; zemel; zeur; zeurkous; zeurpiet
pain in the ass geitenbreier; zeikerd; zemel; zeur; zeurkous; zeurpiet etter; etterbak
pain in the neck geitenbreier; zeikerd; zemel; zeur; zeurkous; zeurpiet ellendeling; etter; etterbak; hinderlijk persoon; kaffer; klier; kreng; lastpak; lastpost; mispunt; rotvent; schoft; schurk; smeerlap; snertvent; stuk ongeluk
pest hinderlijk persoon; lastpak; lastpost
yellowbelly geitenbreier; zeikerd; zemel; zeur; zeurkous; zeurpiet geitenbreier; lammeling; lamzak; lanterfanter; lapzwans; leegloper; lijntrekker; nietsnut; slampamper; slapkous
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bore aanboren; boren; vervelen
creep kruipen
nag aandringen; chicaneren; doordrammen; doordrukken; drammen; dwarszitten; etteren; griepen; harrewarren; jennen; klagen; kleinzielig gedragen; klieren; op zijn hart hebben; pesten; plagen; sarren; stangen; tarten; tergen; treiteren; uitdagen; zeiken; zeuren; zieken

Verwante woorden van "zemel":


Wiktionary: zemel

zemel
noun
  1. outside layer of a grain

Cross Translation:
FromToVia
zemel bran sonrésidu de la mouture du blé et d’autres céréales, provenant du péricarpe des grains.

Computer vertaling door derden: