Overzicht
Nederlands naar Spaans:   Meer gegevens...
  1. beletten:
  2. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor belet (Nederlands) in het Spaans

beletten:

beletten werkwoord (belet, belette, beletten, belet)

  1. beletten (verhinderen; belemmeren; voorkomen; voorkómen)
  2. beletten (weerhouden; ervanaf houden; afhouden)
    retener; impedir; detener
  3. beletten (belemmeren; verhinderen)
    impedir; obstaculizar

Conjugations for beletten:

o.t.t.
  1. belet
  2. belet
  3. belet
  4. beletten
  5. beletten
  6. beletten
o.v.t.
  1. belette
  2. belette
  3. belette
  4. beletten
  5. beletten
  6. beletten
v.t.t.
  1. heb belet
  2. hebt belet
  3. heeft belet
  4. hebben belet
  5. hebben belet
  6. hebben belet
v.v.t.
  1. had belet
  2. had belet
  3. had belet
  4. hadden belet
  5. hadden belet
  6. hadden belet
o.t.t.t.
  1. zal beletten
  2. zult beletten
  3. zal beletten
  4. zullen beletten
  5. zullen beletten
  6. zullen beletten
o.v.t.t.
  1. zou beletten
  2. zou beletten
  3. zou beletten
  4. zouden beletten
  5. zouden beletten
  6. zouden beletten
diversen
  1. belet!
  2. belet!
  3. belet
  4. belettend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

beletten [znw.] zelfstandig naamwoord

  1. beletten (weerhouden; afhouden)
    el impedir
    • impedir [el ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor beletten:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
detener arresteren; grijpen
impedir afhouden; beletten; weerhouden
obstaculizar belemmeren; beperken
retener houden; vasthouden
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bloquear belemmeren; beletten; verhinderen; voorkomen; voorkómen afgrendelen; afsluiten; barricaderen; blokkeren; borgen; dichtdoen; dichtmaken; grendelen; knoppenraster; locken; op slot doen; op slot zetten; sluiten; vergrendelen; versperren
detener afhouden; beletten; ervanaf houden; weerhouden aanhouden; arresteren; betrappen; detineren; gevangen zetten; gevangenhouden; gevangennemen; halt houden; hooghouden; in de cel zetten; in de hoogte houden; in hechtenis houden; inrekenen; interneren; isoleren; omhooghouden; ophouden; oppakken; opsluiten; parkeerstand inschakelen; remmen; snappen; stoppen; stopzetten; tegenhouden; tot staan brengen; vasthouden; vastzetten
impedir afhouden; belemmeren; beletten; ervanaf houden; verhinderen; voorkomen; voorkómen; weerhouden hinderen; onmogelijk maken; storen; verhinderen; verijdelen
levantar barricadas en belemmeren; beletten; verhinderen; voorkomen; voorkómen barricaderen; versperren
obstaculizar belemmeren; beletten; verhinderen; voorkomen; voorkómen barricaderen; doen mislukken; dwarsbomen; dwarsliggen; een stokje steken voor; kazen; tegengaan; tegenstreven; tegenwerken; verijdelen; versperren; weerstreven
retener afhouden; beletten; ervanaf houden; weerhouden achterhouden; doordouwen; doorzetten; geen afstand doen van; houden; inhouden; onthouden; opnemen; opslaan; wachten

Wiktionary: beletten

beletten
verb
  1. iets of iemand storen in zijn/haar bezigheden


Wiktionary: belet

belet
noun
  1. hinder