Nederlands

Uitgebreide vertaling voor doorzagen (Nederlands) in het Spaans

doorzagen:

doorzagen werkwoord (doorzaag, doorzaagt, doorzaagde, doorzaagden, doorzaagd)

  1. doorzagen (doorvragen; uitvragen)

Conjugations for doorzagen:

o.t.t.
  1. doorzaag
  2. doorzaagt
  3. doorzaagt
  4. doorzagen
  5. doorzagen
  6. doorzagen
o.v.t.
  1. doorzaagde
  2. doorzaagde
  3. doorzaagde
  4. doorzaagden
  5. doorzaagden
  6. doorzaagden
v.t.t.
  1. heb doorzaagd
  2. hebt doorzaagd
  3. heeft doorzaagd
  4. hebben doorzaagd
  5. hebben doorzaagd
  6. hebben doorzaagd
v.v.t.
  1. had doorzaagd
  2. had doorzaagd
  3. had doorzaagd
  4. hadden doorzaagd
  5. hadden doorzaagd
  6. hadden doorzaagd
o.t.t.t.
  1. zal doorzagen
  2. zult doorzagen
  3. zal doorzagen
  4. zullen doorzagen
  5. zullen doorzagen
  6. zullen doorzagen
o.v.t.t.
  1. zou doorzagen
  2. zou doorzagen
  3. zou doorzagen
  4. zouden doorzagen
  5. zouden doorzagen
  6. zouden doorzagen
en verder
  1. is doorzaagd
  2. zijn doorzaagd
diversen
  1. doorzaag!
  2. doorzaagt!
  3. doorzaagd
  4. doorzagend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor doorzagen:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
interrogar doorvragen; doorzagen; uitvragen interpelleren; ondervragen; overhoren; uithoren; uitvragen; verhoren
seguir preguntando doorvragen; doorzagen; uitvragen

doorzien:

doorzien werkwoord (doorzie, doorziet, doorzag, doorzagen, doorzien)

  1. doorzien (beseffen; realiseren; onderkennen; inzien)
    comprender; darse cuenta de; reconocer; entender; concebir; calar; distinguir
  2. doorzien (doorhebben)

Conjugations for doorzien:

o.t.t.
  1. doorzie
  2. doorziet
  3. doorziet
  4. doorzien
  5. doorzien
  6. doorzien
o.v.t.
  1. doorzag
  2. doorzag
  3. doorzag
  4. doorzagen
  5. doorzagen
  6. doorzagen
v.t.t.
  1. heb doorzien
  2. hebt doorzien
  3. heeft doorzien
  4. hebben doorzien
  5. hebben doorzien
  6. hebben doorzien
v.v.t.
  1. had doorzien
  2. had doorzien
  3. had doorzien
  4. hadden doorzien
  5. hadden doorzien
  6. hadden doorzien
o.t.t.t.
  1. zal doorzien
  2. zult doorzien
  3. zal doorzien
  4. zullen doorzien
  5. zullen doorzien
  6. zullen doorzien
o.v.t.t.
  1. zou doorzien
  2. zou doorzien
  3. zou doorzien
  4. zouden doorzien
  5. zouden doorzien
  6. zouden doorzien
diversen
  1. doorzie!
  2. doorziet!
  3. doorzien
  4. doorziend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

doorzien bijvoeglijk naamwoord

  1. doorzien (doorgrond)
    claro; obvio; evidente; ostensible

Vertaal Matrix voor doorzien:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
claro helderheid; klaarheid; lichtsterkte
comprender begrijpen; behelzen; inhouden; inzicht; snappen; vatten
entender begrijpen; inzicht
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
caer en la cuenta de doorhebben; doorzien beginnen te snappen; doorkrijgen
calar beseffen; doorzien; inzien; onderkennen; realiseren beginnen te snappen; bereiken; doordouwen; doordringen; doorgronden; doorkrijgen; doortrekken met vloeistof; doorzetten; doorzien hebben; drenken; inzien; penetreren in
comprender beseffen; doorhebben; doorzien; inzien; onderkennen; realiseren begrijpen; behelzen; betrappen; bevatten; doorzien hebben; inhouden; inzien; kennen; met het verstand vatten; omvatten; ondervragen; overhoren; snappen; uithoren; uitvragen; verhoren; verstaan
concebir beseffen; doorzien; inzien; onderkennen; realiseren begrijpen; broeden; concipiëren; graven; in het leven roepen; inrichten; installeren; inzien; maken; met het verstand vatten; opdelven; opgraven; opvatten; scheppen; snappen; uitbroeden; warmhouden
darse cuenta de beseffen; doorzien; inzien; onderkennen; realiseren aanschouwen; begrijpen; bekijken; bemerken; bespeuren; een blik werpen; gewaarworden; inzien; kijken; merken; met het verstand vatten; onderscheiden; ontwaren; opmerken; signaleren; snappen; staren; turen; voelen; waarnemen; zien
distinguir beseffen; doorzien; inzien; onderkennen; realiseren aankijken; aanschouwen; bekijken; bemerken; differentiëren; een ereteken geven; gadeslaan; gewaarworden; horen; karakteriseren; kenmerken; kenschetsen; kijken; merken; observeren; onderscheid maken; onderscheiden; ontwaren; opmerken; signaleren; staren; te zien krijgen; tekenen; toeschouwen; turen; typeren; uit elkaar houden; uiteenhouden; van elkaar onderscheiden; voelen; waarnemen; zien
entender beseffen; doorhebben; doorzien; inzien; onderkennen; realiseren begrijpen; betrappen; doorzien hebben; inleven; invoelen; inzien; kennen; meeleven; met het verstand vatten; ondervragen; opvatten; overhoren; snappen; uithoren; uitvragen; verhoren; verstaan; voelen
reconocer beseffen; doorzien; inzien; onderkennen; realiseren afgeven; aftasten; beamen; bevestigen; controleren; doorvorsen; een mening aanhangen; een mening zijn toegedaan; examineren; gunnen; herkennen; hernieuwen; identificeren; iets als lof zeggen; iets toekennen; inleveren; inspecteren; keuren; nageven; nieuw leven inblazen; onderschrijven; ondervragen; onderzoeken; overhandigen; overhoren; restaureren; schouwen; staven; toebedelen; toekennen; toewijzen; uithoren; uitvragen; vereenzelvigen; verhoren; verkennen
ver el juego doorhebben; doorzien
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
claro doorgrond; doorzien 'tuurlijk; aanschouwelijk; algemeen begrijpbaar; allicht; begrepen; begrijpelijk; bevatbaar; bevattelijk; bijgevolg; blank; bleek; cru; direct; duidelijk; dus; echt; eenduidig; flagrant; gevat; gewoonweg; helder; herkenbaar; heus; inzichtelijk; klaar; klaar als een klontje; klare; klinkklaar; kuis; licht; lichtgevend; logisch; lumineus; natuurlijk; net; niet donker; onbewimpeld; onbewolkt; ondubbelzinnig; ongelakt; onmiskenbaar; onomwonden; onontkomelijk; onverbloemd; onverholen; onvermengd; onversneden; open; openhartig; openlijk; oprecht; overduidelijk; overzichtelijk; pips; pure; puur; recht door zee; rechttoe; rechttoe rechtaan; regelrecht; rein; ronduit; scherpzinnig; schoon; schrander; slim; snedig; uiteraard; uitgeslapen; vanzelfsprekend; verhelderend; verstaanbaar; vrij; vrijelijk; vrijuit; werkelijk; zeker; zo klaar als een klontje; zonder twijfel; zonneklaar; zuiver; zuivere
evidente doorgrond; doorzien 'tuurlijk; aanschouwelijk; algemeen begrijpbaar; allicht; automatisch; bevatbaar; bijgevolg; blijkbaar; direct; duidelijk; dus; eenduidig; flagrant; helder; kenbaar; klaar als een klontje; klaarblijkelijk; logisch; natuurlijk; netto; onbelast; ondubbelzinnig; onmiskenbaar; onontkomelijk; overduidelijk; recht door zee; regelrecht; te kennen; uiteraard; vanzelfsprekend; zeker; zo klaar als een klontje; zonder twijfel; zonneklaar
obvio doorgrond; doorzien 'tuurlijk; allicht; automatisch; bijgevolg; blijkbaar; duidelijk; dus; eenduidig; flagrant; helder; kenbaar; klaar als een klontje; klaarblijkelijk; logisch; natuurlijk; ondubbelzinnig; onmiskenbaar; onontkomelijk; overduidelijk; te kennen; uiteraard; vanzelfsprekend; zeker; zo klaar als een klontje; zonder twijfel; zonneklaar
ostensible doorgrond; doorzien eenduidig; ondubbelzinnig; ostentatief

Verwante woorden van "doorzien":

  • doorziene

Wiktionary: doorzien

doorzien
verb
  1. dóórzien, vluchtig iets lezen
  2. doorzíén, begrijpen, bevatten, doorgronden

Cross Translation:
FromToVia
doorzien adivinar devinerprédire ce qui doit arriver, découvrir, par des sortilèges, ce qui cacher.