Nederlands

Uitgebreide vertaling voor inpassen (Nederlands) in het Spaans

inpassen:

inpassen werkwoord (pas in, past in, paste in, pasten in, ingepast)

  1. inpassen (erin passen)
  2. inpassen (passen in)
  3. inpassen (zich thuisvoelen)

Conjugations for inpassen:

o.t.t.
  1. pas in
  2. past in
  3. past in
  4. passen in
  5. passen in
  6. passen in
o.v.t.
  1. paste in
  2. paste in
  3. paste in
  4. pasten in
  5. pasten in
  6. pasten in
v.t.t.
  1. heb ingepast
  2. hebt ingepast
  3. heeft ingepast
  4. hebben ingepast
  5. hebben ingepast
  6. hebben ingepast
v.v.t.
  1. had ingepast
  2. had ingepast
  3. had ingepast
  4. hadden ingepast
  5. hadden ingepast
  6. hadden ingepast
o.t.t.t.
  1. zal inpassen
  2. zult inpassen
  3. zal inpassen
  4. zullen inpassen
  5. zullen inpassen
  6. zullen inpassen
o.v.t.t.
  1. zou inpassen
  2. zou inpassen
  3. zou inpassen
  4. zouden inpassen
  5. zouden inpassen
  6. zouden inpassen
en verder
  1. ben ingepast
  2. bent ingepast
  3. is ingepast
  4. zijn ingepast
  5. zijn ingepast
  6. zijn ingepast
diversen
  1. pas in!
  2. past in!
  3. ingepast
  4. inpassend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor inpassen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
intercalar tussenzetten
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
acostumbrar erin passen; inpassen aanpassen; aanwennen; aarden; acclimatiseren; een gewoonte worden; eigenmaken; gewend raken; gewendraken; gewennen; leren; wennen
acostumbrarse a erin passen; inpassen aanpassen; aanwennen; aarden; acclimatiseren; eigenmaken; gewend raken; gewendraken; gewennen; leren; wennen
adaptarse erin passen; inpassen aanpassen; aanwennen; aarden; acclimatiseren; eigenmaken; gewend raken; gewendraken; gewennen; leren; omschakelen; overschakelen; verbasteren; vervormen; wennen; zich aanpassen; zich schikken; zich voegen; zich voegen naar
caber en inpassen; passen in
empujar hacia dentro inpassen; passen in
encajar inpassen; passen in aanpraten; aansmeren; bijpassen; deponeren; ineenschuiven; klemmen; knellen; leggen; neerleggen; omklemmen; onderuit halen; passen; plaatsen; zetten
encajar en inpassen; passen in
enmoldar inpassen; passen in
entrar en inpassen; passen in aankomen; aanvangen; arriveren; beginnen; betreden; binnendringen; binnengaan; binnenkomen; binnenlopen; binnenmarcheren; binnenrijden; binnenstappen; binnenstromen; binnentreden; binnentrekken; binnenvallen; doordringen; haven binnenvaren; indringen; infiltreren; ingaan; inrijden; instromen; invallen; massaal opkomen; onverwachts langskomen; penetreren; starten; toestromen; van start gaan
insertar inpassen; passen in aangrijpen; aanwenden; benutten; erbij doen; gebruiken; inbrengen; inlassen; inleggen; insluiten; invoegen; inzet tonen; inzetten; toepassen; toevoegen; tussen zetten; tussenlassen; tussenleggen; voegen
intercalar inpassen; passen in inbedden; inbrengen; inlassen; invoegen
interpolar inpassen; passen in rasteren; tussenlassen
interponer inpassen; passen in inleggen; invoegen; tussen zetten; tussenleggen
meter en inpassen; passen in dompelen in; indompelen; onderdompelen
poner entre inpassen; passen in tussen zetten
probarse inpassen; passen in aanpassen; aanproberen; op proef aantrekken; passen; proberen
sentirse a gusto inpassen; zich thuisvoelen
sentirse como en su casa inpassen; zich thuisvoelen