Overzicht
Nederlands naar Spaans:   Meer gegevens...
  1. opslaan:
  2. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor opslaan (Nederlands) in het Spaans

opslaan:

opslaan werkwoord (sla op, slaat op, sloeg op, sloegen op, opgeslagen)

  1. opslaan (bewaren; deponeren)
    depositar; salvar; guardar; almacenar
  2. opslaan (archiveren; opbergen; bewaren)
    archivar
  3. opslaan (onthouden; opnemen)
    recordar; retener; reservarse
  4. opslaan
    guardar

Conjugations for opslaan:

o.t.t.
  1. sla op
  2. slaat op
  3. slaat op
  4. slaan op
  5. slaan op
  6. slaan op
o.v.t.
  1. sloeg op
  2. sloeg op
  3. sloeg op
  4. sloegen op
  5. sloegen op
  6. sloegen op
v.t.t.
  1. heb opgeslagen
  2. hebt opgeslagen
  3. heeft opgeslagen
  4. hebben opgeslagen
  5. hebben opgeslagen
  6. hebben opgeslagen
v.v.t.
  1. had opgeslagen
  2. had opgeslagen
  3. had opgeslagen
  4. hadden opgeslagen
  5. hadden opgeslagen
  6. hadden opgeslagen
o.t.t.t.
  1. zal opslaan
  2. zult opslaan
  3. zal opslaan
  4. zullen opslaan
  5. zullen opslaan
  6. zullen opslaan
o.v.t.t.
  1. zou opslaan
  2. zou opslaan
  3. zou opslaan
  4. zouden opslaan
  5. zouden opslaan
  6. zouden opslaan
en verder
  1. ben opgeslagen
  2. bent opgeslagen
  3. is opgeslagen
  4. zijn opgeslagen
  5. zijn opgeslagen
  6. zijn opgeslagen
diversen
  1. sla op!
  2. slat op!
  3. opgeslagen
  4. opslaand
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor opslaan:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
depositar neerzetten
retener houden; vasthouden
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
almacenar bewaren; deponeren; opslaan bergen; opruimen; stallen
archivar archiveren; bewaren; opbergen; opslaan archiveren; bijeen scharrelen; comprimeren; samenpakken; samenrapen
depositar bewaren; deponeren; opslaan afbakenen; afpalen; afzetten; afzien van rechtsvervolging; begrenzen; beknotten; beperken; betrappen; bijstorten; bijzetten; deponeren; geld overmaken; inleggen; invoegen; laten uitstappen; leggen; neerleggen; neerzetten; omlijnen; op rekening storten; overboeken; overschrijven; overzenden; plaatsen; seponeren; snappen; stationeren; storten; tussenleggen; verneuken; wegleggen; zetten
guardar bewaren; deponeren; opslaan achterhouden; afdekken; afschermen; afschutten; afsluiten; afzonderen; apart zetten; behoeden; behouden; bergen; beschermen; bescherming bieden; beschutten; bewaken; bewaren; conserveren; dichtdoen; geen afstand doen van; hamsteren; hoeden; houden; in veiligheid brengen; inhouden; instandhouden; isoleren; niet laten gaan; opbergen; oppotten; opzij leggen; potten; sluiten; surveilleren; thuishouden; toedoen; toekijken; toemaken; toezicht houden; toezien; toezien op; vasthouden; wegbergen; wegsluiten; wegsteken; wegstoppen
recordar onthouden; opnemen; opslaan bedenken; doen denken aan; gedenken; herdenken; herinneren; in herinnering brengen; memoreren; memoriseren; niet vergeten; onthouden; te binnen schieten; te binnen vallen; terugdenken; terughalen; terugroepen
reservarse onthouden; opnemen; opslaan achterhouden; behouden; opzijleggen; reserveren; terughouden; voorbehouden
retener onthouden; opnemen; opslaan achterhouden; afhouden; beletten; doordouwen; doorzetten; ervanaf houden; geen afstand doen van; houden; inhouden; wachten; weerhouden
salvar bewaren; deponeren; opslaan bergen; in veiligheid brengen; overbruggen; redden

Wiktionary: opslaan

opslaan
verb
  1. informatica|nld vastleggen of bewaren van gegevens

Cross Translation:
FromToVia
opslaan archivar; guardar; salvar save — to write a file to a disk
opslaan reservar stash — store away for later use
opslaan almacenar; abastecer stockerconserver en dépôt, entreposer.

Computer vertaling door derden: