Nederlands

Uitgebreide vertaling voor opzet (Nederlands) in het Spaans

opzet:

opzet [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de opzet (planning; plan)
    el plan; la meta; el objetivo; el objeto; el proyecto
    • plan [el ~] zelfstandig naamwoord
    • meta [la ~] zelfstandig naamwoord
    • objetivo [el ~] zelfstandig naamwoord
    • objeto [el ~] zelfstandig naamwoord
    • proyecto [el ~] zelfstandig naamwoord
  2. de opzet (voornemen; plan)
    el propósito; la intención; el designio; la disposición

Vertaal Matrix voor opzet:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
designio opzet; plan; voornemen
disposición opzet; plan; voornemen afgifte; afrekenen; afrekening; afspraak; akkoord; bezorging; geleverde; gemoedsgesteldheid; gereedheid; gezindheid; hiërarchie; indeling; instelling; leverantie; levering; overeenkomst; overtuiging; paraatheid; psychische toestand; rang; rangorde; regeling; schikking; stemming; tendentie; vaststaande mening; vereffening; verrekening; volgorde
intención opzet; plan; voornemen bedoeling; beduidenis; beduiding; betekenis; deftigheid; distinctie; gedistingeerdheid; geneigdheid; gerichtheid; inhoud; neiging; oogmerk; oriëntatie; strekking; tendens; trend; voornaamheid; wat ergens in zit; welgemanierdheid
meta opzet; plan; planning doel; doeleinde; doelschijf; intentie; inzet; moedwil; oogmerk; streven; toeleg; voornemen
objetivo opzet; plan; planning aandrang; doel; doeleinde; doelschijf; doelstelling; drang; einddoel; intentie; inzet; moedwil; oogmerk; streven; toeleg; voornemen; voorzetlens
objeto opzet; plan; planning artikel; ding; doel; doelschijf; doelwit; goed; intentie; item; mikpunt; moedwil; object; oogmerk; voornemen; voorwerp; zaak
plan opzet; plan; planning intentie; moedwil; oogmerk; plan; project; schema; toeleg; voornemen
propósito opzet; plan; voornemen deftigheid; distinctie; gedistingeerdheid; geneigdheid; gerichtheid; laag; neiging; niveau; oogmerk; oriëntatie; peil; plan; stand; tendens; toeleg; trend; voornaamheid; welgemanierdheid
proyecto opzet; plan; planning intentie; moedwil; oogmerk; plan; project; toekomstmuziek; toeleg; verhandeling; voornemen; werkstuk
- concept; plan
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
objetivo koel; nuchter; objectief; onpartijdig; zakelijk

Verwante woorden van "opzet":


Synoniemen voor "opzet":


Verwante definities voor "opzet":

  1. voorlopig ontwerp van iets1
    • de opzet van het verhaal is niet goed1
  2. bewuste bedoeling1
    • hij heeft met opzet de vaas gebroken1

Wiktionary: opzet


Cross Translation:
FromToVia
opzet intención intention — course intended to follow
opzet maqueta layout — process of arranging media content for publishing
opzet propósito; intención; objetivo purpose — intention
opzet planificación Planungdurchdachter Vorgang der zu einer Zeichnung oder Beschreibung eines Vorhaben, im Ergebnis (dem Plan), führt.
opzet dolo; premeditación VorsatzRechtssprache: willentliche Herbeiführung eines Schadens, oder billigen Inkaufnahme eines Schadens, bzw. willentliche Missachtung der Rechtsvorschriften (kein Plural)
opzet propósito; intención Absichtgeplante noch nicht abgeschlossene Handlung
opzet plano; plan; mapa plan — À classer
opzet proyecto; plano; plan projetdessein, idée de ce qu’on penser réaliser, conception des moyens qu’on croire utiles pour exécuter ce qu’on médite.

opzetten:

opzetten werkwoord (zet op, zette op, zetten op, opgezet)

  1. opzetten (iemand opstoken; opjutten)
    incitar; animar; agobiar; apurar
  2. opzetten
    disecar
  3. opzetten (toenemen; groeien; stijgen; )
    aumentar; crecer; subir; engrandecer; surgir

Conjugations for opzetten:

o.t.t.
  1. zet op
  2. zet op
  3. zet op
  4. zetten op
  5. zetten op
  6. zetten op
o.v.t.
  1. zette op
  2. zette op
  3. zette op
  4. zetten op
  5. zetten op
  6. zetten op
v.t.t.
  1. heb opgezet
  2. hebt opgezet
  3. heeft opgezet
  4. hebben opgezet
  5. hebben opgezet
  6. hebben opgezet
v.v.t.
  1. had opgezet
  2. had opgezet
  3. had opgezet
  4. hadden opgezet
  5. hadden opgezet
  6. hadden opgezet
o.t.t.t.
  1. zal opzetten
  2. zult opzetten
  3. zal opzetten
  4. zullen opzetten
  5. zullen opzetten
  6. zullen opzetten
o.v.t.t.
  1. zou opzetten
  2. zou opzetten
  3. zou opzetten
  4. zouden opzetten
  5. zouden opzetten
  6. zouden opzetten
en verder
  1. is opgezet
  2. zijn opgezet
diversen
  1. zet op!
  2. zet op!
  3. opgezet
  4. opzettend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor opzetten:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
animar aanmoedigen; aansporen; aanvuren; aanzetten; prikkel; stimuleren; toejuichen
crecer aanwassen; aanzwellen
incitar aanslingeren; aanzwengelen
subir opklimmen; oprijden; stijgen
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
agobiar iemand opstoken; opjutten; opzetten belasten; opdragen
animar iemand opstoken; opjutten; opzetten aanblazen; aandrijven; aanjagen; aanleiding geven tot; aanmoedigen; aansporen; aanstoken; aanvuren; aanwakkeren; aanzetten; aanzetten tot; activeren; animeren; bemoedigen; bezielen; blij maken; doen opvlammen; een inspirerende werking hebben; fleurig maken; iemand motiveren; inspireren; instigeren; motiveren; opbeuren; opfleuren; opfokken; ophitsen; opjutten; opkalefateren; opknappen; opkrikken; oplappen; opleven; opmonteren; oppeppen; opruien; opstoken; opvijzelen; opvrolijken; opwekken; poken; porren; prikkelen; provoceren; reanimeren; stimuleren; toejuichen; toemoedigen; tot leven wekken; uitdagen; uitlokken; verkwikken; verlevendigen; vrolijker worden
apurar iemand opstoken; opjutten; opzetten ledigen; leegdrinken; leegmaken; opdrinken; uitdrinken
aumentar aangroeien; aanwassen; aanwinnen; aanzwellen; de hoogte ingaan; gedijen; groeien; groter worden; omhooggaan; opzetten; stijgen; toenemen; vermeerderen aankaarten; aanknopen; aansnijden; bezwaren; entameren; expanderen; gesprek aanknopen; gewicht toevoegen; openen; opvoeren; opwerpen; starten; te berde brengen; ter sprake brengen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; vergroten; vermeerderen; verruimen; verwijden; verzwaren; zwaarder maken
crecer aangroeien; aanwassen; aanwinnen; aanzwellen; de hoogte ingaan; gedijen; groeien; groter worden; omhooggaan; opzetten; stijgen; toenemen; vermeerderen dik worden; expanderen; groeien; groot worden; hoger worden; ijlen; jachten; jagen; jakkeren; lengen; openen; opgroeien; opschieten; opzwellen; reppen; snellen; spoeden; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; uitgroeien; verbreiden; vermeerderen; verruimen; verwijden; vliegen; volgroeien; volwassen worden; zich haasten; zich spoeden
disecar opzetten analyseren; anatomiseren; ontleden; uit elkaar nemen
engrandecer aangroeien; aanwassen; aanwinnen; aanzwellen; de hoogte ingaan; gedijen; groeien; groter worden; omhooggaan; opzetten; stijgen; toenemen; vermeerderen
incitar iemand opstoken; opjutten; opzetten aanblazen; aandrijven; aanjagen; aanleiding geven tot; aanmoedigen; aanpoten; aansporen; aanstoken; aanvuren; aanwakkeren; aanzetten; aanzetten tot; animeren; bemoedigen; haast maken; haasten; iemand motiveren; iets aanstoken; ijlen; instigeren; jagen; motiveren; opfokken; ophitsen; opjutten; opkrikken; oppoken; opporren; opruien; opstoken; opwekken; opwinden; overhaasten; poken; porren; prikkelen; provoceren; spoeden; stimuleren; stoken; toemoedigen; uitdagen; uitlokken; voortmaken; zich spoeden
subir aangroeien; aanwassen; aanwinnen; aanzwellen; de hoogte ingaan; gedijen; groeien; groter worden; omhooggaan; opzetten; stijgen; toenemen; vermeerderen aanwassen; bevorderd worden; binnenrijden; bovenkomen; de hoogte ingaan; eindje meerijden; erop vooruit gaan; heffen; hijsen; hoger maken; hoger worden; hogerop komen; in de lucht omhoogstijgen; inrijden; lichten; naar boven gaan; naar boven rijden; omhoog brengen; omhoog doen; omhoog komen; omhoog rijzen; omhooggaan; omhooghalen; omhoogheffen; omhoogkomen; omhoogleiden; omhooglopen; omhoogrijden; omhoogschroeven; omhoogstappen; omhoogstijgen; omhoogvoeren; ontspinnen; opgaan; opheffen; ophijsen; ophogen; oprijden; oprijzen; opstijgen; optillen; opvliegen; opwaarts rijden; rijzen; stijgen; tillen; verhogen; vooruitkomen; vorderen; zich opwerken
surgir aangroeien; aanwassen; aanwinnen; aanzwellen; de hoogte ingaan; gedijen; groeien; groter worden; omhooggaan; opzetten; stijgen; toenemen; vermeerderen boven water komen; bovenkomen; de hoogte ingaan; in de lucht omhoogstijgen; in het hoofd opkomen; invallen; naar binnen vallen; omhoogkomen; ontstaan; opdiepen; opdoemen; opduiken; opkomen voor; oprijzen; opstijgen; opwellen; rijzen; stijgen; van de bodem ophalen; verrijzen; voortkomen; weer verschijnen

Verwante woorden van "opzetten":


Wiktionary: opzetten


Cross Translation:
FromToVia
opzetten instalar install — set something up for use
opzetten excitar hérisserdresser ses cheveux, ses poils, ses plumes, en parlant de l’homme et des animaux.
opzetten rellenar; acolchar rembourrergarnir de bourre, de laine, de crin, etc.

Verwante vertalingen van opzet