Overzicht
Nederlands naar Frans:   Meer gegevens...
  1. cirkel:
  2. cirkelen:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor cirkel (Nederlands) in het Frans

cirkel:

cirkel [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de cirkel (kring)
    le cercle; la sphère; l'amicale; l'association; le rond
    • cercle [le ~] zelfstandig naamwoord
    • sphère [la ~] zelfstandig naamwoord
    • amicale [la ~] zelfstandig naamwoord
    • association [la ~] zelfstandig naamwoord
    • rond [le ~] zelfstandig naamwoord
  2. de cirkel (kring; rondje)
    le cercle; le tour; la ronde
    • cercle [le ~] zelfstandig naamwoord
    • tour [le ~] zelfstandig naamwoord
    • ronde [la ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor cirkel:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
amicale cirkel; kring bond; club; gilde; orde; organisatie; societiet; soos; unie; vereniging
association cirkel; kring associatie; bedrijf; bond; broederschap; club; coalitie; compagnonschap; deelgenootschap; dispuut; firma; genootschap; gezelschap; gilde; koppeling; onderneming; orde; organisatie; societiet; sociëteit; soos; unie; verbond; vereniging; verenigingsdispuut; zaak
cercle cirkel; kring; rondje bond; broederschap; cirkelvorm; club; genootschap; gezelschap; gilde; kring; kringel; kringvormig; omgang; omgang hebben met; orde; organisatie; partij; ploeg; ring; ronde doen; societiet; sociëteit; soos; stadionring; team; unie; vereniging
rond cirkel; kring cirkelvorm; kring; kringel; kringvormig; ring; stadionring
ronde cirkel; kring; rondje afstand; baan; baanvak; etappe; kraaiennest; omgang; pad; rei; reidans; ronde; rondedans; rondgang; rondje; route; toer; tournee; traject; uitkijk; weg; zijn ronde doen
sphère cirkel; kring aarde; aardkloot; bol; bolvorm; cirkelvorm; globe; kogelvorm; koningsappel; kring; partij; ploeg; rijksappel; sfeer; team
tour cirkel; kring; rondje afstand; baan; baanvak; behendigheid; beurt; burchttoren; draai; draaibank; etappe; expeditie; foefje; gekke streek; handigheid; kasteeltoren; kneep; kneepje; kuier; kunst; kunstgreep; kunstje; list; loopje; maniertje; mars; omdraaiing; omgang; omgang hebben met; omloop; ommetje; omwenteling; pad; poets; rare streek; reis; rit; ronde; ronde doen; rondgang; rondje; rondreis; rondrit; route; slimheid; slottoren; sluwe streek; spelletje; streek; tocht; tochtje; toer; toertje; toren; torenflat; torengebouw; torentje; tour; tournee; traject; trektocht; trip; truc; uitje; uitstapje; wandeling; wandeltocht; weg; wending; wolkenkrabber; zijn ronde doen
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
rond bol; bolstaand; bolvormig; concaaf; holrond; kogelrond; kogelvormig; rond; sferisch

Verwante woorden van "cirkel":


Wiktionary: cirkel

cirkel
noun
  1. géométrie|fr Dans un plan euclidien, lieu de tous les points équidistants d’un point donné appelé le centre du cercle. La distance au centre s’appelle le rayon.

Cross Translation:
FromToVia
cirkel cercle circle — two-dimensional outline geometric figure
cirkel disque circle — disc, two-dimensional solid geometric figure
cirkel cercle KreisMathematik, in der euklidischen Ebene:
cirkel cercle Kreis — eine abgegrenzte oder näher bestimmte Personengruppe

cirkelen:

cirkelen werkwoord (cirkel, cirkelt, cirkelde, cirkelden, gecirkeld)

  1. cirkelen
    tourner en rond; graviter
    • tourner en rond werkwoord
    • graviter werkwoord (gravite, gravites, gravitons, gravitez, )

Conjugations for cirkelen:

o.t.t.
  1. cirkel
  2. cirkelt
  3. cirkelt
  4. cirkelen
  5. cirkelen
  6. cirkelen
o.v.t.
  1. cirkelde
  2. cirkelde
  3. cirkelde
  4. cirkelden
  5. cirkelden
  6. cirkelden
v.t.t.
  1. heb gecirkeld
  2. hebt gecirkeld
  3. heeft gecirkeld
  4. hebben gecirkeld
  5. hebben gecirkeld
  6. hebben gecirkeld
v.v.t.
  1. had gecirkeld
  2. had gecirkeld
  3. had gecirkeld
  4. hadden gecirkeld
  5. hadden gecirkeld
  6. hadden gecirkeld
o.t.t.t.
  1. zal cirkelen
  2. zult cirkelen
  3. zal cirkelen
  4. zullen cirkelen
  5. zullen cirkelen
  6. zullen cirkelen
o.v.t.t.
  1. zou cirkelen
  2. zou cirkelen
  3. zou cirkelen
  4. zouden cirkelen
  5. zouden cirkelen
  6. zouden cirkelen
en verder
  1. ben gecirkeld
  2. bent gecirkeld
  3. is gecirkeld
  4. zijn gecirkeld
  5. zijn gecirkeld
  6. zijn gecirkeld
diversen
  1. cirkel!
  2. cirkelt!
  3. gecirkeld
  4. cirkelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor cirkelen:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
graviter cirkelen
tourner en rond cirkelen

Verwante woorden van "cirkelen":


Wiktionary: cirkelen

cirkelen
verb
  1. in cirkels ronddraaien of rondvliegen

Verwante vertalingen van cirkel