Overzicht
Nederlands naar Frans:   Meer gegevens...
  1. patser:
  2. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor patser (Nederlands) in het Frans

patser:

patser [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de patser
    le frimeur; le m'as-tu-vu
  2. de patser (bluffer; opschepper; pocher)
    le vantard; le crâneur; le fanfaron; le bluffeur; l'hâbleur

Vertaal Matrix voor patser:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bluffeur bluffer; opschepper; patser; pocher blaaskaak; bluffer; dikdoener; hol vat; leeg vat; opschepper; opscheppers; opsnijder; pocher; praatjesmakers; snoever; snoevers; windbuil; windbuilen
crâneur bluffer; opschepper; patser; pocher branieschopper; haantje; kleine haan; praalhans; showbink
fanfaron bluffer; opschepper; patser; pocher blaaskaak; bluffer; dikdoener; een vreemde snuiter; grootspreker; hol vat; leeg vat; opschepper; opscheppers; pocher; praalhans; praatjesmakers; showbink; snoeshaan; snoever; snoevers; windbuil; windbuilen
frimeur patser
hâbleur bluffer; opschepper; patser; pocher bluffer; dikdoener; opschepper; opscheppers; pocher; praatjes; praatjes hebben; praatjesmakers; snoever; snoevers; spekkoper; windbuil; windbuilen
m'as-tu-vu patser
vantard bluffer; opschepper; patser; pocher blaaskaak; bluffer; dikdoener; grootspreker; hol vat; leeg vat; opschepper; opscheppers; opsnijder; pocher; praalhans; praatjesmaker; praatjesmakers; showbink; snoever; snoevers; windbuil; windbuilen
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bluffeur grootsprakig
fanfaron brallerig; grootsprakerig; grootsprakig; opschepperig; pocherig; protsend; protserig; schreeuwerig; snoevend
hâbleur grootsprakig; opschepperig; protsend; protserig; schreeuwerig
vantard brallerig; grootsprakerig; grootsprakig; opschepperig; pocherig; protsend; protserig; schreeuwerig; snoevend

Verwante woorden van "patser":

  • patsers

Wiktionary: patser

patser
noun
  1. Personne qui flambe son argent, particulièrement au jeu ; qui dépense de façon ostentatoire, cherche à en mettre plein la vue ; m’as-tu-vu.