Overzicht
Nederlands naar Frans:   Meer gegevens...
  1. schel:
  2. schellen:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor schel (Nederlands) in het Frans

schel:

schel [de ~] zelfstandig naamwoord

  1. de schel (bel)
    la clochette; la sonnerie; la cloche; la sonnette

schel bijvoeglijk naamwoord

  1. schel (scherp; schril; hoog; hard; snerpend)
    suraigu; aigu; perçant; mordant; pointu; violent; strident; criard

Vertaal Matrix voor schel:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
cloche bel; schel boerenhuis; deksel; dom gansje; dom wicht; domme gans; domme koe; dop; einder; flierefluiter; geitenbreier; gezichtseinder; horizon; kaasstolp; kim; klok; klokje; klooi; lammeling; lamzak; lanterfant; lanterfanter; lapzwans; leeghoofdje; leegloper; lijntrekker; luidklok; nietsnut; pendule; polshorloge; slampamper; slapkous; stolp; stolphuis; stulpkooi; sufferdje; torenklok; uurwerk; zakhorloge; zakuurwerk
clochette bel; schel einder; gezichtseinder; horizon; kim; klein klokje; kleine klok; klokje; polshorloge; tikkend uurwerk; tikker; tikkertje; zakhorloge; zakuurwerk
criard brulboei; bulderaar; schreeuwer; schreeuwlelijk
mordant bijterigheid; het bijtende; het nare
sonnerie bel; schel bellen; belsignaal; beltoon; carillon; einder; gebeier; gelui; gerinkel; gezichtseinder; horizon; kim; klokgelui; klokje; klokkenspel; klokslag; opbellen; overgaan; polshorloge; trompetsignaal; wekker; wektoestel; zakhorloge; zakuurwerk
sonnette bel; schel beller; carillonspeler; deurbel; einder; gezichtseinder; handbel; heiblok; heimachine; heistelling; horizon; huisbel; kim; klokje; luider; polshorloge; zakhorloge; zakuurwerk
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aigu hard; hoog; schel; scherp; schril; snerpend acuut; beklemmend; doordringend; fel; grievend; hanig; heftig; hevig; indringend; intens; knellend; krenkend; kwetsend; messcherp; nijpend; pinnig; puntig; schel klinkend; scherp; scherpklinkend; smartelijk; snibbig; spits; spitsig; spitsvormig; toegespitst; vinnig; vlijmend
criard hard; hoog; schel; scherp; schril; snerpend hard; lawaaierig; luid; luid klinkend; luidruchtig; rumoerig
mordant hard; hoog; schel; scherp; schril; snerpend bijtend; bijtende; bijterig; doordringend; fel; gemeen; grievend; inbijtend; invretend; inwerkend; krenkend; kwetsend; met sarcasme; sarcastisch; scherp
perçant hard; hoog; schel; scherp; schril; snerpend doordringend; fel; hanig; indringend; nijpend; penetrant; pinnig; schel klinkend; scherp; scherpgerand; scherpklinkend; smartelijk; snibbig; vinnig; vlijmend
pointu hard; hoog; schel; scherp; schril; snerpend fel; getopt; hanig; met toppen; pinnig; puntig; scherp; snavelvormig; snibbig; spits; spitsig; spitsvormig; toegespitst; tuitvormig; vinnig; vlijmend; vlijmscherp
strident hard; hoog; schel; scherp; schril; snerpend doordringend; indringend; krijserig; schel klinkend; scherp; schreeuwerig
suraigu hard; hoog; schel; scherp; schril; snerpend
violent hard; hoog; schel; scherp; schril; snerpend aanrandend; agressief; bitter; bitter van smaak; fel; gewelddadig; geweldig; hanig; hard; hardhandig; heftig; hevig; intens; intensief; kokend; onzacht; pinnig; ruw; scherp; snibbig; verwoed; vinnig; vlijmend; ziedend

Verwante woorden van "schel":


Wiktionary: schel

schel
adjective
  1. Qui est d’un goût âpre, se dit d’un vin acide, dur et âpre
  2. Qui a une saveur acide et amère provoquant un sentiment désagréable.
  3. Qui a un aspect pointu, tranchant, voire déchirer.
  4. Qui couper.
  5. Qui produire une douleur âpre et aiguë.
  6. délié, menu, mince ou étroit.
  7. Qui couper ou qui est propre à couper.
  8. didact|fr Qui mordre.
  9. Qui percer, qui pénétrer.
  10. Qui piquer.
  11. Qui se termine en pointe
  12. Qui pénétrer.
  13. Qui avancer, qui sortir en dehors.
  14. Qui est en vie.
  15. Qui a quelque chose de piquant et d’irritant.
  16. Qui, par sa rudesse ou son âcreté, produit une sensation désagréable aux organes du toucher, de l’ouïe ou du goût.
noun
  1. myth|nocat=1|myt=grecque et romaine|fr divinité de la mer, représentée sous la forme d’une femme normale ou d’une femme-oiseau, qui passait pour attirer, par la douceur de son chant, les navigateurs sur les écueils.
  2. clochette dont on se servir pour appeler ou pour avertir.

Cross Translation:
FromToVia
schel aigue; aigu brazen — Sounding harsh and loud.

schel vorm van schellen:

schellen [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.

  1. de schellen
    la sonnettes

schellen werkwoord (schel, schelt, schelde, schelden, gescheld)

  1. schellen
    sonner
    • sonner werkwoord (sonne, sonnes, sonnons, sonnez, )

Conjugations for schellen:

o.t.t.
  1. schel
  2. schelt
  3. schelt
  4. schellen
  5. schellen
  6. schellen
o.v.t.
  1. schelde
  2. schelde
  3. schelde
  4. schelden
  5. schelden
  6. schelden
v.t.t.
  1. heb gescheld
  2. hebt gescheld
  3. heeft gescheld
  4. hebben gescheld
  5. hebben gescheld
  6. hebben gescheld
v.v.t.
  1. had gescheld
  2. had gescheld
  3. had gescheld
  4. hadden gescheld
  5. hadden gescheld
  6. hadden gescheld
o.t.t.t.
  1. zal schellen
  2. zult schellen
  3. zal schellen
  4. zullen schellen
  5. zullen schellen
  6. zullen schellen
o.v.t.t.
  1. zou schellen
  2. zou schellen
  3. zou schellen
  4. zouden schellen
  5. zouden schellen
  6. zouden schellen
en verder
  1. ben gescheld
  2. bent gescheld
  3. is gescheld
  4. zijn gescheld
  5. zijn gescheld
  6. zijn gescheld
diversen
  1. schel!
  2. schelt!
  3. gescheld
  4. schellend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor schellen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
sonner aanbellen; bellen
sonnettes schellen
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
sonner schellen aanbellen; beieren; bellen; bonzen; kletteren; klingelen; klokluiden; luiden; rammelen; rinkelen; tingelen; tinkelen

Verwante woorden van "schellen":


Wiktionary: schellen

schellen
Cross Translation:
FromToVia
schellen sonner anläuten — (intransitiv) Österreich: eine Türklingel betätigen

Verwante vertalingen van schel