Nederlands

Uitgebreide vertaling voor waag (Nederlands) in het Frans

waag:

waag [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de waag (weegschaal; bascule; balans)
    la balance; le poids public
  2. de waag (weegbrug)
    le pont bascule; la balance

Vertaal Matrix voor waag:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
balance balans; bascule; waag; weegbrug; weeghuis; weegschaal balans; evenwicht; harmonie
poids public balans; bascule; waag; weeghuis; weegschaal waaggebouw
pont bascule waag; weegbrug

Verwante woorden van "waag":



waag vorm van wagen:

wagen werkwoord (waag, waagt, waagde, waagden, gewaagd)

  1. wagen (durven; riskeren; avonturen)
    oser; risquer; hasarder; aventurer
    • oser werkwoord (ose, oses, osons, osez, )
    • risquer werkwoord (risque, risques, risquons, risquez, )
    • hasarder werkwoord (hasarde, hasardes, hasardons, hasardez, )
    • aventurer werkwoord (aventure, aventures, aventurons, aventurez, )

Conjugations for wagen:

o.t.t.
  1. waag
  2. waagt
  3. waagt
  4. wagen
  5. wagen
  6. wagen
o.v.t.
  1. waagde
  2. waagde
  3. waagde
  4. waagden
  5. waagden
  6. waagden
v.t.t.
  1. heb gewaagd
  2. hebt gewaagd
  3. heeft gewaagd
  4. hebben gewaagd
  5. hebben gewaagd
  6. hebben gewaagd
v.v.t.
  1. had gewaagd
  2. had gewaagd
  3. had gewaagd
  4. hadden gewaagd
  5. hadden gewaagd
  6. hadden gewaagd
o.t.t.t.
  1. zal wagen
  2. zult wagen
  3. zal wagen
  4. zullen wagen
  5. zullen wagen
  6. zullen wagen
o.v.t.t.
  1. zou wagen
  2. zou wagen
  3. zou wagen
  4. zouden wagen
  5. zouden wagen
  6. zouden wagen
diversen
  1. waag!
  2. waagt!
  3. gewaagd
  4. wagend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

wagen [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de wagen (auto; vehikel; kar)
    la voiture; le véhicule; l'automobile; la bagnole
  2. de wagen (paardenwagen)
    le chariot; la voiture; la bagnole; le véhicule; l'auto
    • chariot [le ~] zelfstandig naamwoord
    • voiture [la ~] zelfstandig naamwoord
    • bagnole [la ~] zelfstandig naamwoord
    • véhicule [le ~] zelfstandig naamwoord
    • auto [la ~] zelfstandig naamwoord
  3. de wagen (durven)
    le courage; l'audace
    • courage [le ~] zelfstandig naamwoord
    • audace [la ~] zelfstandig naamwoord
  4. de wagen (vehikel; voertuig; rijtuig; kar)
    le véhicule; la voiture; le chariot; la charrette; la voiturette

Vertaal Matrix voor wagen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
audace durven; wagen aanmatiging; brutaliteit; driestheid; durf; gewaagdheid; impertinentie; inbeelding; indiscretie; kloekheid; koenheid; laatdunkendheid; lef; moed; onbeschaamdheid; onbeschoftheid; onbeschroomdheid; onbesuisdheid; onkiesheid; onverschrokkenheid; onwelgevoegelijkheid; overmoed; roekeloosheid; schaamteloosheid; stoutmoedigheid; vermetelheid; verwaandheid; vrijpostigheid; waaghalzerij; zelfverheffing
auto paardenwagen; wagen
automobile auto; kar; vehikel; wagen auto-industrie; automobiel
bagnole auto; kar; paardenwagen; vehikel; wagen karretje; lorrie; rammelbak; rolwagentje; wagentje
chariot kar; paardenwagen; rijtuig; vehikel; voertuig; wagen karretje; lorrie; rolwagentje; wagentje
charrette kar; rijtuig; vehikel; voertuig; wagen handkar; kar; karretje; lorrie; rolwagentje; vrachtkar; wagentje
courage durven; wagen dapperheid; driestheid; durf; gewaagdheid; heldenmoed; heldhaftigheid; kloekheid; koenheid; kranigheid; lef; moed; onversaagdheid; onverschrokkenheid; stoutmoedigheid; vermetelheid
voiture auto; kar; paardenwagen; rijtuig; vehikel; voertuig; wagen handkar; kar; koets; personenauto; rijtuig; spoorwagon; wagon
voiturette kar; rijtuig; vehikel; voertuig; wagen karretje; lorrie; rolwagentje; wagentje
véhicule auto; kar; paardenwagen; rijtuig; vehikel; voertuig; wagen voertuig
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aventurer avonturen; durven; riskeren; wagen avonturieren
hasarder avonturen; durven; riskeren; wagen avonturieren
oser avonturen; durven; riskeren; wagen aandurven; avonturieren
risquer avonturen; durven; riskeren; wagen avonturieren
- durven

Verwante woorden van "wagen":


Synoniemen voor "wagen":


Antoniemen van "wagen":


Verwante definities voor "wagen":

  1. je niet door angst of onzekerheid laten tegenhouden1
    • hij waagde het toch naar huis te rijden met die gladheid1
  2. vervoermiddel dat bestaat uit een kar of bak met vier wielen1
    • de baby ligt in de kinderwagen1

Wiktionary: wagen

wagen
noun
  1. een auto
verb
  1. een poging ondernemen
wagen
verb
  1. hasarder, mettre à l’aventure.
  2. Être assez téméraire, assez hardi pour
  3. risquer, exposer à la fortune, exposer au péril.
  4. Avoir la hardiesse, l’audace de dire, de faire quelque chose.
  5. hasarder, exposer à un danger possible, à une chance douteux.
noun
  1. France|fr (familier, fr) voiture, automobile.
  2. chariot élevé.
  3. À classer.
  4. voiture à deux roues, avec deux ridelles et deux limons.
  5. Caisse sur roues
  6. Automobile

Cross Translation:
FromToVia
wagen voiture; char; automobile; auto car — automobile, a vehicle steered by a driver
wagen oser dare — to have courage
wagen affronter dare — to brave or face up to
wagen charrette wagon — cart