Overzicht
Nederlands naar Zweeds:   Meer gegevens...
  1. jennen:
  2. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor jennen (Nederlands) in het Zweeds

jennen:

jennen werkwoord (jen, jent, jende, jenden, gejend)

  1. jennen (sarren; uitdagen; pesten; )
    tjata
    • tjata werkwoord (tjatar, tjatade, tjatat)

Conjugations for jennen:

o.t.t.
  1. jen
  2. jent
  3. jent
  4. jennen
  5. jennen
  6. jennen
o.v.t.
  1. jende
  2. jende
  3. jende
  4. jenden
  5. jenden
  6. jenden
v.t.t.
  1. heb gejend
  2. hebt gejend
  3. heeft gejend
  4. hebben gejend
  5. hebben gejend
  6. hebben gejend
v.v.t.
  1. had gejend
  2. had gejend
  3. had gejend
  4. hadden gejend
  5. hadden gejend
  6. hadden gejend
o.t.t.t.
  1. zal jennen
  2. zult jennen
  3. zal jennen
  4. zullen jennen
  5. zullen jennen
  6. zullen jennen
o.v.t.t.
  1. zou jennen
  2. zou jennen
  3. zou jennen
  4. zouden jennen
  5. zouden jennen
  6. zouden jennen
en verder
  1. ben gejend
  2. bent gejend
  3. is gejend
  4. zijn gejend
  5. zijn gejend
  6. zijn gejend
diversen
  1. jen!
  2. jent!
  3. gejend
  4. jennend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor jennen:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
tjata jennen; pesten; plagen; sarren; stangen; tarten; tergen; treiteren; uitdagen; zieken aandringen; betuttelen; doordrammen; doordrukken; drammen; etteren; griepen; klieren; zeiken; zeuren

Synoniemen voor "jennen":


Verwante definities voor "jennen":

  1. hem steeds weer gemeen plagen1
    • ze jennen die jongen met de rode haren voortdurend1

Wiktionary: jennen


Cross Translation:
FromToVia
jennen mobba bully — to intimidate