Overzicht
Nederlands naar Zweeds:   Meer gegevens...
  1. oversteek:
  2. oversteken:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor oversteek (Nederlands) in het Zweeds

oversteek:

oversteek [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de oversteek (oversteekplaats; zebrapad; voetgangersoversteekplaats)
    korsning; korsväg; överkorsning

Vertaal Matrix voor oversteek:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
korsning oversteek; oversteekplaats; voetgangersoversteekplaats; zebrapad crucifix; dwarsweg; knooppunt; kruisbeeld; kruising; kruising van straten; kruispunt; punt waar lijnen elkaar kruisen; splitsing; verkeersknooppunt; wegkruising; wegsplitsing
korsväg oversteek; oversteekplaats; voetgangersoversteekplaats; zebrapad
överkorsning oversteek; oversteekplaats; voetgangersoversteekplaats; zebrapad

Verwante woorden van "oversteek":


oversteken:

oversteken werkwoord (steek over, steekt over, stak over, staken over, overgestoken)

  1. oversteken
    korsa; genomkorsa
    • korsa werkwoord (korsar, korsade, korsat)
    • genomkorsa werkwoord (genomkorsar, genomkorsade, genomkorsat)

Conjugations for oversteken:

o.t.t.
  1. steek over
  2. steekt over
  3. steekt over
  4. steken over
  5. steken over
  6. steken over
o.v.t.
  1. stak over
  2. stak over
  3. stak over
  4. staken over
  5. staken over
  6. staken over
v.t.t.
  1. ben overgestoken
  2. bent overgestoken
  3. is overgestoken
  4. zijn overgestoken
  5. zijn overgestoken
  6. zijn overgestoken
v.v.t.
  1. was overgestoken
  2. was overgestoken
  3. was overgestoken
  4. waren overgestoken
  5. waren overgestoken
  6. waren overgestoken
o.t.t.t.
  1. zal oversteken
  2. zult oversteken
  3. zal oversteken
  4. zullen oversteken
  5. zullen oversteken
  6. zullen oversteken
o.v.t.t.
  1. zou oversteken
  2. zou oversteken
  3. zou oversteken
  4. zouden oversteken
  5. zouden oversteken
  6. zouden oversteken
diversen
  1. steek over!
  2. steekt over!
  3. overgestoken
  4. overstekend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

oversteken [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het oversteken (overlopen)
    gå över; korsa över

Vertaal Matrix voor oversteken:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
gå över overlopen; oversteken overtreffen
korsa över overlopen; oversteken
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
genomkorsa oversteken
gå över dwars oversteken; overgaan; overheen gaan; overschrijden
korsa oversteken overheen gaan; overschrijden; verhinderen; verijdelen

Verwante woorden van "oversteken":


Verwante definities voor "oversteken":

  1. van de ene kant naar de andere gaan1
    • we zijn de rivier overgestoken1

Wiktionary: oversteken


Cross Translation:
FromToVia
oversteken korsa cross — go from one side of something to the other
oversteken besegra; överstiga; överträffa surmontermonter au-dessus.