Nederlands

Uitgebreide vertaling voor raak (Nederlands) in het Zweeds

raak:

raak bijvoeglijk naamwoord

  1. raak (kernachtig)
    kortfattad; kortfattat
  2. raak (adrem; bijdehand; snedig; gevat)
    smart
    • smart bijvoeglijk naamwoord

Vertaal Matrix voor raak:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
smart geniaal persoon; genie
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
kortfattad kernachtig; raak bondig; kort; kortheidshalve
kortfattat kernachtig; raak bondig; kort; kortheidshalve; kortweg; samengevat; summier; zonder omhaal
smart adrem; bijdehand; gevat; raak; snedig bij de pinken; clever; geleerd; gis; goochem; intelligent; kien; schrander; slim; snugger; uitgeslapen; wijs

raak vorm van raken:

raken werkwoord (raak, raakt, raakte, raakten, geraakt)

  1. raken (betreffen; aangaan)
    röra; beröra; gälla; angå
    • röra werkwoord (rör, rörde, rört)
    • beröra werkwoord (berör, berörde, berört)
    • gälla werkwoord (gäller, gällde, gällt)
    • angå werkwoord (angår, angick, angått)
  2. raken (beïnvloeden; treffen)
    påverka; influera
    • påverka werkwoord (påverkar, påverkade, påverkat)
    • influera werkwoord (influerar, influerade, influerat)
  3. raken (treffen; beroeren)
    träffa; råka; beröra
    • träffa werkwoord (träffar, träffade, träffat)
    • råka werkwoord (råkar, råkade, råkat)
    • beröra werkwoord (berör, berörde, berört)
  4. raken (ontroeren; treffen)
    – hem een klap, schot of stoot toebrengen 1
    röra
    • röra werkwoord (rör, rörde, rört)
  5. raken (terechtkomen; treffen)
    avsluta; sluta vid
    • avsluta werkwoord (avslutar, avslutade, avslutat)
    • sluta vid werkwoord (slutar vid, slutade vid, slutat vid)

Conjugations for raken:

o.t.t.
  1. raak
  2. raakt
  3. raakt
  4. raken
  5. raken
  6. raken
o.v.t.
  1. raakte
  2. raakte
  3. raakte
  4. raakten
  5. raakten
  6. raakten
v.t.t.
  1. heb geraakt
  2. hebt geraakt
  3. heeft geraakt
  4. hebben geraakt
  5. hebben geraakt
  6. hebben geraakt
v.v.t.
  1. had geraakt
  2. had geraakt
  3. had geraakt
  4. hadden geraakt
  5. hadden geraakt
  6. hadden geraakt
o.t.t.t.
  1. zal raken
  2. zult raken
  3. zal raken
  4. zullen raken
  5. zullen raken
  6. zullen raken
o.v.t.t.
  1. zou raken
  2. zou raken
  3. zou raken
  4. zouden raken
  5. zouden raken
  6. zouden raken
en verder
  1. ben geraakt
  2. bent geraakt
  3. is geraakt
  4. zijn geraakt
  5. zijn geraakt
  6. zijn geraakt
diversen
  1. raak!
  2. raakt!
  3. geraakt
  4. rakend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

raken [znw.] zelfstandig naamwoord

  1. raken (treffen)
    träffande

Vertaal Matrix voor raken:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
avsluta afkrijgen
råka roek
röra afdankertjes; allegaartje; bende; berg; bocht; geflikflooi; geklieder; gemier; gerotzooi; gezeur; hoop; hutspot; kliederboel; kliederen; knoeierij; mengelmoes; mengvoer; mikmak; opeenhoping; puinhoop; puinzooi; rommel; rotzooi; samenraapsel; smerig spul; troep; zooi; zootje
träffande raken; treffen treffendheid
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
angå aangaan; betreffen; raken aangaan; belang inboezemen; zorg inboezemen
avsluta raken; terechtkomen; treffen aankomen; afkrijgen; aflopen met; afmaken; afronden; afsluiten; afwerken; beëindigen; compleet maken; completeren; een einde maken aan; eindigen; fiksen; finishen; haspelen; klaarkrijgen; klaarmaken; klaarspelen; laatste gedeelte afmaken; leegeten; naar einde toewerken; op een haspel winden; opeten; opklossen; opwikkelen; opwinden; ten einde zijn; uithebben; uitkrijgen; vervolledigen; volbrengen; volledig maken; volmaken; voltooien; voor elkaar krijgen
beröra aangaan; beroeren; betreffen; raken; treffen aangaan; aanraken; aanroeren; aanstippen; belang inboezemen; even aanraken; toucheren; voelen; zorg inboezemen
gälla aangaan; betreffen; raken aangaan; belang inboezemen; geldig zijn; handhaven; stand houden; zorg inboezemen
influera beïnvloeden; raken; treffen
påverka beïnvloeden; raken; treffen
råka beroeren; raken; treffen
röra aangaan; betreffen; ontroeren; raken; treffen aangaan; aanraken; aanroeren; aanstippen; aanstoken; belang inboezemen; beroeren; betreffen; bewegen; even aanraken; gaan; mixen; oppoken; opstoken; roeren; rondroeren; slaan op; toucheren; verroeren; voelen; zich begeven; zich bewegen; zich verplaatsen; zitten aan; zorg inboezemen
sluta vid raken; terechtkomen; treffen geraken; terecht komen
träffa beroeren; raken; treffen grijpen; ontmoeten; tegenkomen; toeslaan; treffen
- aankomen; aanraken; treffen
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
träffande ca.; passend

Verwante woorden van "raken":

  • rak

Synoniemen voor "raken":


Antoniemen van "raken":


Verwante definities voor "raken":

  1. even vastpakken, tegen iets of iemand aankomen1
    • de ballon raakte de grond1
  2. hem ontroeren1
    • zijn opmerking raakte me erg1
  3. het worden1
    • hij raakte totaal overstuur1
  4. hem een klap, schot of stoot toebrengen1
    • de kogel raakte hem in de schouder1

Wiktionary: raken


Cross Translation:
FromToVia
raken slå hit — to give a blow
raken möta meet — converge and touch
raken röra; beröra touch — make physical contact with
raken röra touch — affect emotionally
raken ernå atteindretoucher de loin au moyen d’un projectile.
raken bli; bliva devenircommencer à être ce qu’on n’était pas ; passer d’une situation, d’un état à un autre.
raken ; uppnå parvenir — Arriver à un point donné à la suite d’un déplacement. (Sens général)
raken beskåda; kika; skåda; titta; beträffa regarder — voir, observer
raken beröra; ta på; bestryka; träffa toucher — Mettre la main sur quelque chose

Verwante vertalingen van raak