Overzicht
Nederlands naar Zweeds:   Meer gegevens...
  1. sneden:
  2. snede:
  3. snijden:
  4. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor sneden (Nederlands) in het Zweeds

sneden:

sneden [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.

  1. de sneden (japen)
    skär; skåror

Vertaal Matrix voor sneden:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
skär japen; sneden rock; scherpte; sneetje; snijkant; snijwondje
skåror japen; sneden gleuven; groeven; sleuven; smalle uithollingen
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
skär roze

Verwante woorden van "sneden":


snede:

snede [de ~] zelfstandig naamwoord

  1. de snede (inkeping; insnijding; jaap; snee)
    inskuren
  2. de snede (snijwond; snee)
    sår; skärsår; inskärning

Vertaal Matrix voor snede:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
inskuren inkeping; insnijding; jaap; snede; snee
inskärning snede; snee; snijwond inkerving; keep; kerfsnede; sneetje; snijwondje; soort vink
skärsår snede; snee; snijwond
sår snede; snee; snijwond blessure; kwetsuren; kwetsuur; letsel; verwonding; verwondingen; wond; wonden; zeer

Verwante woorden van "snede":


Wiktionary: snede


Cross Translation:
FromToVia
snede hugg; ärr balafre — Longue entaille, plaie faite particulièrement au visage.

sneden vorm van snijden:

snijden werkwoord (snijd, snijdt, sneed, sneden, gesneden)

  1. snijden (afsnijden)
    skära; klippa; hugga
    • skära werkwoord (skär, skar, skurit)
    • klippa werkwoord (klippar, klippade, klippat)
    • hugga werkwoord (huggar, huggade, huggat)

Conjugations for snijden:

o.t.t.
  1. snijd
  2. snijdt
  3. snijdt
  4. snijden
  5. snijden
  6. snijden
o.v.t.
  1. sneed
  2. sneed
  3. sneed
  4. sneden
  5. sneden
  6. sneden
v.t.t.
  1. heb gesneden
  2. hebt gesneden
  3. heeft gesneden
  4. hebben gesneden
  5. hebben gesneden
  6. hebben gesneden
v.v.t.
  1. had gesneden
  2. had gesneden
  3. had gesneden
  4. hadden gesneden
  5. hadden gesneden
  6. hadden gesneden
o.t.t.t.
  1. zal snijden
  2. zult snijden
  3. zal snijden
  4. zullen snijden
  5. zullen snijden
  6. zullen snijden
o.v.t.t.
  1. zou snijden
  2. zou snijden
  3. zou snijden
  4. zouden snijden
  5. zouden snijden
  6. zouden snijden
en verder
  1. ben gesneden
  2. bent gesneden
  3. is gesneden
  4. zijn gesneden
  5. zijn gesneden
  6. zijn gesneden
diversen
  1. snijd!
  2. snijdt!
  3. gesneden
  4. snijdend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor snijden:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
klippa kei; klif; klip; rif; rock; rolsteen; scheer; steen; steile bodemverheffing; uitstekende rots
skära sikkel; sikkeltje; snijding; snoeimes
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
hugga afsnijden; snijden
klippa afsnijden; snijden bewerken; doorponsen; een knippend geluid maken; met effect spelen; ponsen; stansen; tekst redigeren
skära afsnijden; snijden doorknippen; een knippend geluid maken; houtsnijden; in hout schrijven; inhakken; inhouwen; kerven; maaien; met effect spelen; raspen; schaven; schuren; snerpen; snijwerk maken

Verwante definities voor "snijden":

  1. elkaar kruisen1
    • deze lijnen snijden elkaar1
  2. inhalen en snel naar rechts gaan1
    • de automobilist sneed mij1
  3. met een scherp voorwerp eraf halen1
    • zij sneed het brood in stukken1

Wiktionary: snijden


Cross Translation:
FromToVia
snijden skuren; klippt cut — having been cut
snijden skära; klippa cut — to divide with a sharp instrument
snijden skära cut — to perform an incision
snijden karva; tälja whittle — cut or shape wood with a knife
snijden skära; klippa schneiden — (transitiv) mit einem Schneidewerkzeug (wie einem Messer) einen Gegenstand oder einen Teil von ihm abtrennen
snijden hugga; yxa taillercouper, retrancher d’une matière, en ôter avec le marteau, le ciseau, ou tout autre instrument, ce qu’il y a de superflu, pour lui donner une certaine forme, pour la rendre propre à tel ou tel usage.