Zweeds

Uitgebreide vertaling voor benigt (Zweeds) in het Frans

benigt:

benigt bijvoeglijk naamwoord

  1. benigt (bara skinn och ben; mager; magert)
  2. benigt (knogaktig; knogaktigt)
    osseuse; osseux; ossu
    • osseuse bijvoeglijk naamwoord
    • osseux bijvoeglijk naamwoord
    • ossu bijvoeglijk naamwoord
  3. benigt (benig)
    avec des arètes
  4. benigt (benig)
    osseux
    • osseux bijvoeglijk naamwoord
  5. benigt (knokig; smalt; benig; knokigt)
    osseux; squelettique; osseuse; ossu
  6. benigt (knotigt; benig)
    osseux; ossu
    • osseux bijvoeglijk naamwoord
    • ossu bijvoeglijk naamwoord
  7. benigt (magrat; magrad)
    maigre comme un clou; amaigri; maigre jusqu'à l'os

Vertaal Matrix voor benigt:

BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
amaigri benigt; magrad; magrat närvarande
avec des arètes benig; benigt
maigre comme un clou benigt; magrad; magrat uthungrad
maigre jusqu'à l'os benigt; magrad; magrat
n'ayant que la peau et les os bara skinn och ben; benigt; mager; magert
osseuse benig; benigt; knogaktig; knogaktigt; knokig; knokigt; knotig; knotigt; smalt
osseux benig; benigt; knogaktig; knogaktigt; knokig; knokigt; knotig; knotigt; smalt benig
ossu benig; benigt; knogaktig; knogaktigt; knokig; knokigt; knotig; knotigt; smalt kraftig; kraftigt; kraftigt byggd; robust; stadigt
squelettique benig; benigt; knokig; knokigt; smalt