Spaans

Uitgebreide vertaling voor escapar (Spaans) in het Nederlands

escapar:

escapar werkwoord

  1. escapar (aceptar; recibir; evitar; )
    ontvangen; krijgen; in ontvangst nemen; opstrijken
    • ontvangen werkwoord (ontvang, ontvangt, ontving, ontvingen, ontvangen)
    • krijgen werkwoord (krijg, krijgt, kreeg, kregen, gekregen)
    • in ontvangst nemen werkwoord (neem in ontvangst, neemt in ontvangst, nam in ontvangst, namen in ontvangst, in ontvangst genomen)
    • opstrijken werkwoord (strijk op, strijkt op, streek op, streken op, opgestreken)
  2. escapar (evadir; pasar desapercibido; salir; )
    vluchten; wegkomen; ontvluchten; weglopen; ontsnappen aan; zich vrijmaken; ontkomen; wegrennen; ontglippen
    • vluchten werkwoord (vlucht, vluchtte, vluchtten, gevlucht)
    • wegkomen werkwoord (kom weg, komt weg, kwam weg, kwamen weg, weggekomen)
    • ontvluchten werkwoord (ontvlucht, ontvluchtte, ontvluchtten, ontvlucht)
    • weglopen werkwoord (loop weg, loopt weg, liep weg, liepen weg, weggelopen)
    • ontsnappen aan werkwoord
    • zich vrijmaken werkwoord
    • ontkomen werkwoord (ontkom, ontkomt, ontkwam, ontkwamen, ontkomen)
    • wegrennen werkwoord (ren weg, rent weg, rende weg, renden weg, weggerend)
    • ontglippen werkwoord (ontglip, ontglipt, ontglipte, ontglipten, ontglipt)
  3. escapar (evadir)
    vluchten; ontvluchten; ontsnappen; wegvluchten; uitwijken; ontkomen
    • vluchten werkwoord (vlucht, vluchtte, vluchtten, gevlucht)
    • ontvluchten werkwoord (ontvlucht, ontvluchtte, ontvluchtten, ontvlucht)
    • ontsnappen werkwoord (ontsnap, ontsnapt, ontsnapte, ontsnapten, ontsnapt)
    • wegvluchten werkwoord
    • uitwijken werkwoord
    • ontkomen werkwoord (ontkom, ontkomt, ontkwam, ontkwamen, ontkomen)
  4. escapar (evitar; rehuir; esquivar a alguien; )
    vermijden; mijden; ontlopen; ontwijken; uit de weg gaan
    • vermijden werkwoord (vermijd, vermijdt, vermeed, vermeden, vermeden)
    • mijden werkwoord (mijd, mijdt, meed, meden, gemeden)
    • ontlopen werkwoord (ontloop, ontloopt, ontliep, ontliepen, ontlopen)
    • ontwijken werkwoord (ontwijk, ontwijkt, ontweek, ontweken, ontweken)
    • uit de weg gaan werkwoord (ga uit de weg, gaat uit de weg, ging uit de weg, gingen uit de weg, gingen uit de weg)
  5. escapar (descender; bajar; levantarse; )
    er vandoor gaan; er tussenuit knijpen
    • er vandoor gaan werkwoord (ga er vandoor, gaat er vandoor, ging er vandoor, gingen er vandoor, er vandoor gegaan)
    • er tussenuit knijpen werkwoord (knijp er tussenuit, knijpt er tussenuit, kneep er tussenuit, knepen er tussenuit, tussenuit geknepen)
  6. escapar (ser puesto en libertad; liberarse; evadirse; )
    vrijkomen; loskomen; op vrije voeten gesteld worden; ontslagen worden
  7. escapar (decir algo sin querer)
    ontschieten; per ongeluk zeggen; ontglippen; ontvallen
    • ontschieten werkwoord (ontschiet, ontschoot, ontschoten, ontschoten)
    • per ongeluk zeggen werkwoord
    • ontglippen werkwoord (ontglip, ontglipt, ontglipte, ontglipten, ontglipt)
    • ontvallen werkwoord (ontval, ontvalt, ontviel, ontvielen, ontvallen)
  8. escapar (desviarse; evitar; esquivar; )
  9. escapar (deslizarse; escaparse; dar un patinazo)
    glippen; floepen; wegglippen
    • glippen werkwoord (glip, glipt, glipte, glipten, geglipt)
    • floepen werkwoord (floep, floept, floepte, floepten, gefloept)
    • wegglippen werkwoord
  10. escapar (refugiar)
    wegkomen
    • wegkomen werkwoord (kom weg, komt weg, kwam weg, kwamen weg, weggekomen)
  11. escapar (liberarse; liberar; escaparse)
    vrijkomen; ontsnappen; zich bevrijden; loskomen
    • vrijkomen werkwoord (kom vrij, komt vrij, kwam vrij, kwamen vrij, vrijgekomen)
    • ontsnappen werkwoord (ontsnap, ontsnapt, ontsnapte, ontsnapten, ontsnapt)
    • zich bevrijden werkwoord
    • loskomen werkwoord (kom los, komt los, kwam los, kwamen los, losgekomen)
  12. escapar (robar; defraudar; evitar; )
    stelen; pikken; verduisteren; wegpikken; jatten; ontvreemden; verdonkeremanen; vervreemden; inpikken; wegkapen; gappen; achterhouden; achteroverdrukken; wegfutselen
    • stelen werkwoord (steel, steelt, stal, stalen, gestolen)
    • pikken werkwoord (pik, pikt, pikte, pikten, gepikt)
    • verduisteren werkwoord (verduister, verduistert, verduisterde, verduisterden, verduisterd)
    • wegpikken werkwoord (pik weg, pikt weg, pikte weg, pikten weg, weggepikt)
    • jatten werkwoord (jat, jatte, jatten, gejat)
    • ontvreemden werkwoord (ontvreemd, ontvreemdt, ontvreemdde, ontvreemdden, ontvreemd)
    • verdonkeremanen werkwoord (verdonkeremaan, verdonkeremaant, verdonkeremaande, verdonkeremaanden, verdonkeremaand)
    • vervreemden werkwoord (vervreemd, vervreemdt, vervreemdde, vervreemdden, vervreemd)
    • inpikken werkwoord (pik in, pikt in, pikte in, pikten in, ingepikt)
    • wegkapen werkwoord (kaap weg, kaapt weg, kaapte weg, kaapten weg, weggekaapt)
    • gappen werkwoord (gap, gapt, gapte, gapten, gegapt)
    • achterhouden werkwoord (houd achter, houdt achter, hield achter, hielden achter, achtergehouden)
    • achteroverdrukken werkwoord (druk achterover, drukt achterover, drukte achterover, drukten achterover, achterovergedrukt)
    • wegfutselen werkwoord
  13. escapar (irse de la lengua; resbalar; equivocarse al hablar)

Conjugations for escapar:

presente
  1. escapo
  2. escapas
  3. escapa
  4. escapamos
  5. escapáis
  6. escapan
imperfecto
  1. escapaba
  2. escapabas
  3. escapaba
  4. escapábamos
  5. escapabais
  6. escapaban
indefinido
  1. escapé
  2. escapaste
  3. escapó
  4. escapamos
  5. escapasteis
  6. escaparon
fut. de ind.
  1. escaparé
  2. escaparás
  3. escapará
  4. escaparemos
  5. escaparéis
  6. escaparán
condic.
  1. escaparía
  2. escaparías
  3. escaparía
  4. escaparíamos
  5. escaparíais
  6. escaparían
pres. de subj.
  1. que escape
  2. que escapes
  3. que escape
  4. que escapemos
  5. que escapéis
  6. que escapen
imp. de subj.
  1. que escapara
  2. que escaparas
  3. que escapara
  4. que escapáramos
  5. que escaparais
  6. que escaparan
miscelánea
  1. ¡escapa!
  2. ¡escapad!
  3. ¡no escapes!
  4. ¡no escapéis!
  5. escapado
  6. escapando
1. yo, 2. tĆŗ, 3. Ć©l/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor escapar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
inpikken birlar; mangar
mijden evasión; evitación
ontlopen evasión; evitación
ontwijken evasión; evitación
stelen cajas; enganche; lanzas de tiro; robar; vara
verduisteren malversación
vermijden evasión; evitación
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
achterhouden defraudar; desfalcar; disentir; disimular; divergir; escapar; evitar; guardarse de; huntar; mangar; mangar a; robar callar; contener; dejar de lado; disimular; encubrir; esconder; guardar; negar; no aceptar; no mencionar; ocultar; pasar por alto; poner aparte; rechazar; reservar; reservarse; retener; velar
achteroverdrukken defraudar; desfalcar; disentir; disimular; divergir; escapar; evitar; guardarse de; huntar; mangar; mangar a; robar arrebatar; birlar; coger; hurtar; hurtqr; llevarse con el pico; mangar; mangar a; robar
er tussenuit knijpen apearse; bajar; coger las de Villadiego; descender; desembarcarse; eludir; escabullirse; escapar; esfumarse; esquivar; largarse; levantarse; marcharse; poner pies en polvorosa; tomar las de Villadiego
er vandoor gaan apearse; bajar; coger las de Villadiego; descender; desembarcarse; eludir; escabullirse; escapar; esfumarse; esquivar; largarse; levantarse; marcharse; poner pies en polvorosa; tomar las de Villadiego
floepen dar un patinazo; deslizarse; escapar; escaparse
gappen defraudar; desfalcar; disentir; disimular; divergir; escapar; evitar; guardarse de; huntar; mangar; mangar a; robar afanar; arrebatar; birlar; coger; hurtar; hurtqr; llevarse con el pico; mangar; mangar a; robar
glippen dar un patinazo; deslizarse; escapar; escaparse deslizarse; resbalar
in ontvangst nemen aceptar; embolsar; embolsarse; escapar; escapar de; escaparse; evitar; huir; huir de; huirse de; recibir aceptar; recibir
inpikken defraudar; desfalcar; disentir; disimular; divergir; escapar; evitar; guardarse de; huntar; mangar; mangar a; robar arrebatar; birlar; coger; hurtar; hurtqr; llevarse con el pico; mangar; mangar a; robar
jatten defraudar; desfalcar; disentir; disimular; divergir; escapar; evitar; guardarse de; huntar; mangar; mangar a; robar arrebatar; birlar; coger; hurtar; hurtqr; llevarse con el pico; mangar; mangar a; robar
krijgen aceptar; embolsar; embolsarse; escapar; escapar de; escaparse; evitar; huir; huir de; huirse de; recibir
loskomen dejarse ir; despegar; desprenderse; escapar; escaparse; evadir; evadirse; liberar; liberarse; quedar en libertad; quedar libre; salir; ser liberado; ser puesto en libertad desatarse; desprenderse
mijden disentir; divergir; eludir; escapar; escapar de; escaparse de; esquivar a alguien; evadir; evadirse de; evitar; rehuir; sortear
ontglippen apearse; bajar; decir algo sin querer; dejarse libre; descender; desembarcarse; escabullirse; escapar; escapar de; esquivar; evadir; pasar desapercibido; refugiarse; salir
ontkomen apearse; bajar; dejarse libre; descender; desembarcarse; escabullirse; escapar; escapar de; esquivar; evadir; pasar desapercibido; refugiarse; salir
ontlopen disentir; divergir; eludir; escapar; escapar de; escaparse de; esquivar a alguien; evadir; evadirse de; evitar; rehuir; sortear evitar
ontschieten decir algo sin querer; escapar
ontslagen worden dejarse ir; despegar; desprenderse; escapar; escaparse; evadir; evadirse; liberarse; quedar en libertad; quedar libre; salir; ser liberado; ser puesto en libertad quedar despedido
ontsnappen escapar; escaparse; evadir; liberar; liberarse
ontsnappen aan apearse; bajar; dejarse libre; descender; desembarcarse; escabullirse; escapar; escapar de; esquivar; evadir; pasar desapercibido; refugiarse; salir
ontvallen decir algo sin querer; escapar
ontvangen aceptar; embolsar; embolsarse; escapar; escapar de; escaparse; evitar; huir; huir de; huirse de; recibir aceptar; acoger; recibir
ontvluchten apearse; bajar; dejarse libre; descender; desembarcarse; escabullirse; escapar; escapar de; esquivar; evadir; pasar desapercibido; refugiarse; salir
ontvreemden defraudar; desfalcar; disentir; disimular; divergir; escapar; evitar; guardarse de; huntar; mangar; mangar a; robar arrebatar; birlar; coger; hurtar; hurtqr; llevarse con el pico; mangar; mangar a; robar
ontwijken disentir; divergir; eludir; escapar; escapar de; escaparse de; esquivar a alguien; evadir; evadirse de; evitar; rehuir; sortear evitar
op vrije voeten gesteld worden dejarse ir; despegar; desprenderse; escapar; escaparse; evadir; evadirse; liberarse; quedar en libertad; quedar libre; salir; ser liberado; ser puesto en libertad
opstrijken aceptar; embolsar; embolsarse; escapar; escapar de; escaparse; evitar; huir; huir de; huirse de; recibir
per ongeluk zeggen decir algo sin querer; escapar
pikken defraudar; desfalcar; disentir; disimular; divergir; escapar; evitar; guardarse de; huntar; mangar; mangar a; robar arrebatar; birlar; coger; hurtar; hurtqr; llevarse con el pico; mangar; mangar a; robar
stelen defraudar; desfalcar; disentir; disimular; divergir; escapar; evitar; guardarse de; huntar; mangar; mangar a; robar afanar; arrebatar; birlar; coger; hurtar; hurtqr; llevarse con el pico; mangar; mangar a; robar
uit de weg gaan disentir; divergir; eludir; escapar; escapar de; escaparse de; esquivar a alguien; evadir; evadirse de; evitar; rehuir; sortear desviarse; estar oblicuo; hacerse a un lado
uitwijken escapar; evadir apartarse; buscar refugio; desviarse; esconderse; estar oblicuo; hacerse a un lado; huir de un pais; ponerse a cubierto; refugiarse
uitwijken voor iets apartarse; desviarse; disentir; divergir; eludir; escapar; escapar de; escaparse; escaparse de; esquivar; evadir; evadirse; evadirse de; evitar; hacerse a un lado; sortear
verdonkeremanen defraudar; desfalcar; disentir; disimular; divergir; escapar; evitar; guardarse de; huntar; mangar; mangar a; robar arrebatar; birlar; coger; hurtar; hurtqr; llevarse con el pico; mangar; mangar a; robar
verduisteren defraudar; desfalcar; disentir; disimular; divergir; escapar; evitar; guardarse de; huntar; mangar; mangar a; robar coger; disimular; esconder; hurtqr; ocultar; oscurecer; robar; velar
vermijden disentir; divergir; eludir; escapar; escapar de; escaparse de; esquivar a alguien; evadir; evadirse de; evitar; rehuir; sortear evitar
verspreken equivocarse al hablar; escapar; irse de la lengua; resbalar
vervreemden defraudar; desfalcar; disentir; disimular; divergir; escapar; evitar; guardarse de; huntar; mangar; mangar a; robar alejarse; arrebatar; birlar; coger; distanciar; expulsar; extirpar; hurtar; hurtqr; llevarse con el pico; mangar; mangar a; quitar; robar
vluchten apearse; bajar; dejarse libre; descender; desembarcarse; escabullirse; escapar; escapar de; esquivar; evadir; pasar desapercibido; refugiarse; salir ceder; correr; discurrir; escurrirse; esquivar; fluir; huir
vrijkomen dejarse ir; despegar; desprenderse; escapar; escaparse; evadir; evadirse; liberar; liberarse; quedar en libertad; quedar libre; salir; ser liberado; ser puesto en libertad
wegfutselen defraudar; desfalcar; disentir; disimular; divergir; escapar; evitar; guardarse de; huntar; mangar; mangar a; robar
wegglippen dar un patinazo; deslizarse; escapar; escaparse
wegkapen defraudar; desfalcar; disentir; disimular; divergir; escapar; evitar; guardarse de; huntar; mangar; mangar a; robar arrebatar; birlar; coger; hurtar; hurtqr; llevarse con el pico; mangar; mangar a; robar
wegkomen apearse; bajar; dejarse libre; descender; desembarcarse; escabullirse; escapar; escapar de; esquivar; evadir; pasar desapercibido; refugiar; refugiarse; salir
weglopen apearse; bajar; dejarse libre; descender; desembarcarse; escabullirse; escapar; escapar de; esquivar; evadir; pasar desapercibido; refugiarse; salir escaparse de casa; irse de casa; marcharse
wegpikken defraudar; desfalcar; disentir; disimular; divergir; escapar; evitar; guardarse de; huntar; mangar; mangar a; robar afanar; arrebatar; birlar; coger; hurtar; hurtqr; llevarse con el pico; mangar; mangar a; robar
wegrennen apearse; bajar; dejarse libre; descender; desembarcarse; escabullirse; escapar; escapar de; esquivar; evadir; pasar desapercibido; refugiarse; salir irse a toda prisa; irse con prisa; irse corriendo; salir corriendo
wegvluchten escapar; evadir ceder; correr; discurrir; escurrirse; esquivar; fluir; huir
zich bevrijden escapar; escaparse; liberar; liberarse
zich vrijmaken apearse; bajar; dejarse libre; descender; desembarcarse; escabullirse; escapar; escapar de; esquivar; evadir; pasar desapercibido; refugiarse; salir

Synoniemen voor "escapar":


Wiktionary: escapar


Cross Translation:
FromToVia
escapar verlaten depart — to go away from
escapar ontsnappen escape — to get free
escapar ontgaan; ontsnappen aan escape — to elude
escapar ontgaan; ontkomen; ontsnappen échapper — Se sauver, fuir

Computer vertaling door derden:

Verwante vertalingen van escapar