Spaans

Uitgebreide vertaling voor correr (Spaans) in het Nederlands

correr:

correr werkwoord

  1. correr (aumentar la velocidad al llegar cerca de la meta; ir corriendo; galopear; )
    rennen; hardlopen
    • rennen werkwoord (ren, rent, rende, renden, gerend)
    • hardlopen werkwoord (loop hard, loopt hard, liep hard, liepen hard, hardgelopen)
  2. correr (fluir; verter)
    lopen; vloeien; stromen
    • lopen werkwoord (loop, loopt, liep, liepen, gelopen)
    • vloeien werkwoord (vloei, vloeit, vloeide, vloeiden, gevloeid)
    • stromen werkwoord (stroom, stroomt, stroomde, stroomden, gestroomd)
  3. correr (mover adelante; ir; andar; mover)
    gaan; lopen; zich voortbewegen; stappen
    • gaan werkwoord (ga, gaat, ging, gingen, gegaan)
    • lopen werkwoord (loop, loopt, liep, liepen, gelopen)
    • zich voortbewegen werkwoord
    • stappen werkwoord (stap, stapt, stapte, stapten, gestapt)
  4. correr (cerrar; cerrar la puerta)
    aantrekken; dichttrekken
    • aantrekken werkwoord (trek aan, trekt aan, trok aan, trokken aan, aangetrokken)
    • dichttrekken werkwoord (trek dicht, trekt dicht, trok dicht, trokken dicht, dichtgetrokken)
  5. correr (darse prisa; ir volando; cazar; )
    sjezen; snel gaan
    • sjezen werkwoord (sjeez, sjeezt, sjeezde, sjeezden, gesjeezd)
    • snel gaan werkwoord
  6. correr
    hardrijden
    • hardrijden werkwoord (rijd hard, rijdt hard, reed hard, reden hard, hardgereden)
  7. correr (apresurarse; darse prisa)
    spoeden; snellen
    • spoeden werkwoord (spoed, spoedt, spoedde, spoedden, gespoed)
    • snellen werkwoord (snel, snelt, snelde, snelden, gesneld)
  8. correr (rechazar; repeler)
    wegduwen; wegdrukken; wegschuiven; wegdringen
    • wegduwen werkwoord (duw weg, duwt weg, duwde weg, duwden weg, weggeduwd)
    • wegdrukken werkwoord (druk weg, drukt weg, drukte weg, drukten weg, weggedrukt)
    • wegschuiven werkwoord (schuif weg, schuift weg, schoof weg, schoven weg, weggeschoven)
    • wegdringen werkwoord (dring weg, dringt weg, drong weg, drongen weg, weggedrongen)
  9. correr (apresurarse; darse prisa; apresurar; )
    reppen; jachten; jakkeren; spoeden
    • reppen werkwoord
    • jachten werkwoord (jacht, jachtte, jachtten, gejacht)
    • jakkeren werkwoord (jakker, jakkert, jakkerde, jakkerden, gejakkerd)
    • spoeden werkwoord (spoed, spoedt, spoedde, spoedden, gespoed)
  10. correr (apresurar; impulsar; cazar; rabiar)
    jachten; ophitsen; voortjagen; opjagen; opdrijven
    • jachten werkwoord (jacht, jachtte, jachtten, gejacht)
    • ophitsen werkwoord (hits op, hitst op, hitste op, hitsten op, opgehitst)
    • voortjagen werkwoord (jaag voort, jaagt voort, joeg voort, joegen voort, voortgejaagd)
    • opjagen werkwoord (jaag op, jaagt op, jaagde op, jaagden op, opgejaagd)
    • opdrijven werkwoord (drijf op, drijft op, dreef op, dreven op, opgedreven)
  11. correr (huir; fluir; esquivar; )
    vluchten; wegvluchten; vlieden
    • vluchten werkwoord (vlucht, vluchtte, vluchtten, gevlucht)
    • wegvluchten werkwoord
    • vlieden werkwoord (vlied, vliedt, vlood, vloden, gevloden)
  12. correr (gotear; verter; chorrear; )
    druppelen; afdruipen; sijpelen; droppen; druipen; druppen; druppels laten vallen; uitdruppelen
    • druppelen werkwoord (druppel, druppelt, druppelde, druppelden, gedruppeld)
    • afdruipen werkwoord (druip af, druipt af, droop af, dropen af, afgedropen)
    • sijpelen werkwoord (sijpel, sijpelt, sijpelde, sijpelden, gesijpeld)
    • droppen werkwoord (drop, dropt, dropte, dropten, gedropt)
    • druipen werkwoord (druip, druipt, droop, dropen, gedropen)
    • druppen werkwoord (drup, drupt, drupte, drupten, gedrupt)
    • uitdruppelen werkwoord (druppel uit, druppelt uit, druppelde uit, druppelden uit, uitgedruppeld)

Conjugations for correr:

presente
  1. corro
  2. corres
  3. corre
  4. corremos
  5. corréis
  6. corren
imperfecto
  1. corría
  2. corrías
  3. corría
  4. corríamos
  5. corríais
  6. corrían
indefinido
  1. corrí
  2. corriste
  3. corrió
  4. corrimos
  5. corristeis
  6. corrieron
fut. de ind.
  1. correré
  2. correrás
  3. correrá
  4. correremos
  5. correréis
  6. correrán
condic.
  1. correría
  2. correrías
  3. correría
  4. correríamos
  5. correríais
  6. correrían
pres. de subj.
  1. que corra
  2. que corras
  3. que corra
  4. que corramos
  5. que corráis
  6. que corran
imp. de subj.
  1. que corriera
  2. que corrieras
  3. que corriera
  4. que corriéramos
  5. que corrierais
  6. que corrieran
miscelánea
  1. ¡corre!
  2. ¡corred!
  3. ¡no corras!
  4. ¡no corráis!
  5. corrido
  6. corriendo
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

correr [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el correr
    het rennen; hollen; zich snel voortbewegen; hardlopen; het snellen

Vertaal Matrix voor correr:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aantrekken atractar; estirón; fascinar; tirón; vestirse
afdruipen escurrir; gotear
droppen gotas
hardlopen correr
hollen correr
lopen andar; caminar; marchar
ophitsen incitación; instigación
rennen correr carrera
snellen correr
stappen pasos
stromen corrientes; flujos
uitdruppelen escurrir; gotear
wegschuiven descartar
zich snel voortbewegen correr
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aantrekken cerrar; cerrar la puerta; correr alistar reclutas; anunciar; atraer; emplear; hacer propaganda; hacer publicidad; poner un anuncio; ponerse; reclutar; vestir; vestirse
afdruipen chorrear; correr; divulgarse; filtrar; gota a gota; gotear; salirse; verter escabullirse; filtrarse; resudar; retirarse con las orejas gachas; rezumar
dichttrekken cerrar; cerrar la puerta; correr
droppen chorrear; correr; divulgarse; filtrar; gota a gota; gotear; salirse; verter caer gota a gota; chorrear; cundir; dejar; escurrir; gotear; manchar
druipen chorrear; correr; divulgarse; filtrar; gota a gota; gotear; salirse; verter caer gota a gota; chorrear; cundir; escurrir; gotear; manchar
druppelen chorrear; correr; divulgarse; filtrar; gota a gota; gotear; salirse; verter caer gota a gota; chorrear; cundir; escurrir; gotear; manchar
druppels laten vallen chorrear; correr; divulgarse; filtrar; gota a gota; gotear; salirse; verter caer gota a gota; chorrear; cundir; escurrir; gotear; manchar
druppen chorrear; correr; divulgarse; filtrar; gota a gota; gotear; salirse; verter caer gota a gota; chorrear; cundir; escurrir; gotear; manchar
gaan andar; correr; ir; mover; mover adelante dirigirse; ir; irse; largarse; marcharse; partir; salir
hardlopen acelerar; apresurarse; aumentar la velocidad al llegar cerca de la meta; correr; correr velozmente; dar prisa; darse prisa; galopear; ir al galope; ir al trote; ir corriendo; meter prisa; sprintar; trotar
hardrijden correr
hollen correr rapidamente; galopar
jachten apresurar; apresurarse; cazar; correr; dar prisa; darse prisa; impulsar; ir volando; irse volando; meter prisa; rabiar adelantar; afanarse tras; apresurar; apresurarse; aspirar a; atosigar; avanzar; crecer; darse prisa; delirar; divagar; hacer subir; hacerse mayor; instigar; ir apresuradamente; ir volando; irse a cazar; levantar; meter prisa; perseguir; precipitarse
jakkeren apresurar; apresurarse; correr; dar prisa; darse prisa; ir volando; irse volando; meter prisa adelantar; afanarse tras; apresurar; apresurarse; aspirar a; atosigar; avanzar; crecer; darse prisa; delirar; divagar; hacer subir; hacerse mayor; instigar; ir apresuradamente; ir volando; irse a cazar; levantar; meter prisa; perseguir; precipitarse
lopen andar; correr; fluir; ir; mover; mover adelante; verter callejear; calumniar; caminar; deambular; ir a pie; pasear; pasear lentamente; pasearse
opdrijven apresurar; cazar; correr; impulsar; rabiar arrear; empujar; hacer subir
ophitsen apresurar; cazar; correr; impulsar; rabiar afrontar; animar; apresurar; atizar; atormentar; avivar; causar; chancear; dar motivo para; desafiar; encender; encrespar; escarabajear; estimular; excitar; hostigar; importunar; impulsar a; incitar; incitar a; instigar; jorobar; picar; pinchar; poner en pie; provocar; sembrar discordia; soliviantar; suscitar
opjagen apresurar; cazar; correr; impulsar; rabiar acosar; apresurarse; cazar; darse prisa
rennen acelerar; apresurarse; aumentar la velocidad al llegar cerca de la meta; correr; correr velozmente; dar prisa; darse prisa; galopear; ir al galope; ir al trote; ir corriendo; meter prisa; sprintar; trotar galopar
reppen apresurar; apresurarse; correr; dar prisa; darse prisa; ir volando; irse volando; meter prisa adelantar; afanarse tras; apresurar; apresurarse; aspirar a; atosigar; avanzar; crecer; darse prisa; delirar; divagar; hacer subir; hacerse mayor; instigar; ir apresuradamente; ir volando; irse a cazar; levantar; meter prisa; perseguir; precipitarse
sijpelen chorrear; correr; divulgarse; filtrar; gota a gota; gotear; salirse; verter caer gota a gota; chorrear; filtrar
sjezen apencar; cazar; correr; darse prisa; ir volando; irse a cazar; irse volando
snel gaan apencar; cazar; correr; darse prisa; ir volando; irse a cazar; irse volando
snellen apresurarse; correr; darse prisa adelantar; afanarse tras; apresurar; apresurarse; aspirar a; atosigar; avanzar; crecer; darse prisa; delirar; divagar; hacer subir; hacerse mayor; instigar; ir apresuradamente; ir volando; irse a cazar; levantar; meter prisa; perseguir; precipitarse
spoeden apresurar; apresurarse; correr; dar prisa; darse prisa; ir volando; irse volando; meter prisa acosar; adelantar; afanarse tras; apresurar; apresurarse; aspirar a; atosigar; avanzar; crecer; dar prisa; darse prisa; delirar; divagar; hacer subir; hacerse mayor; incitar; instigar; ir apresuradamente; ir corriendo; ir volando; irse a cazar; levantar; meter prisa; perseguir; precipitarse
stappen andar; correr; ir; mover; mover adelante andar; dar pasos; estar de juerga; ir al paso; salir
stromen correr; fluir; verter
uitdruppelen chorrear; correr; divulgarse; filtrar; gota a gota; gotear; salirse; verter filtrarse; resudar; rezumar
vlieden ceder; correr; discurrir; escurrirse; esquivar; fluir; huir
vloeien correr; fluir; verter chorrear; fluir; salir a borbotones; salir a raudales
vluchten ceder; correr; discurrir; escurrirse; esquivar; fluir; huir apearse; bajar; dejarse libre; descender; desembarcarse; escabullirse; escapar; escapar de; esquivar; evadir; pasar desapercibido; refugiarse; salir
voortjagen apresurar; cazar; correr; impulsar; rabiar arrear; empujar
wegdringen correr; rechazar; repeler
wegdrukken correr; rechazar; repeler
wegduwen correr; rechazar; repeler
wegschuiven correr; rechazar; repeler
wegvluchten ceder; correr; discurrir; escurrirse; esquivar; fluir; huir escapar; evadir
zich voortbewegen andar; correr; ir; mover; mover adelante

Synoniemen voor "correr":


Wiktionary: correr

correr
verb
  1. met versnelde pas zich voortbewegen
  2. (ergatief) zeer snel lopen (gericht)
  3. rennen
  4. voortbewegen van vloeistoffen
  5. formeel: zachtjes vloeien of stromen
noun
  1. [A] 1. zeer snel lopen

Cross Translation:
FromToVia
correr haasten hasten — to move in a quick fashion
correr loop run — the act of running
correr rennen; lopen run — to move quickly on two feet
correr afraffelen rush — hurry
correr zich drukken; zijn plicht ontlopen shirk — avoid a duty
correr rennen; hollen laufenvon Lebewesen allgemein: sich schnell auf den Beinen (selten: anderen Gliedmaßen) fortbewegen
correr hollen; rennen rennen — (intransitiv) sich schnell zu Fuß fortbewegen, schnell laufen
correr rennen; hardlopen; hollen; snellen courir — Se déplacer rapidement, avec impétuosité, par un mouvement alternatif des jambes ou des pattes, n'ayant pendant un court instant aucun appui au sol.

Verwante vertalingen van correr