Spaans

Uitgebreide vertaling voor empujar (Spaans) in het Nederlands

empujar:

empujar werkwoord

  1. empujar (chocar; toparse; hurgar)
    porren; stoten; een por geven
    • porren werkwoord (por, port, porde, porden, gepord)
    • stoten werkwoord (stoot, stootte, stootten, gestoten)
    • een por geven werkwoord
  2. empujar (urgir)
    duwen; dringen
    • duwen werkwoord (duw, duwt, duwde, duwden, geduwd)
    • dringen werkwoord (dring, dringt, drong, drongen, gedrongen)
  3. empujar
    aanduwen
    • aanduwen werkwoord (duw aan, duwt aan, duwde aan, duwden aan, aangeduwd)
  4. empujar
    openstoten
    • openstoten werkwoord (stoot open, stootte open, stootten open, open gestoten)
  5. empujar
    opendrukken
    • opendrukken werkwoord (druk open, drukt open, drukte open, drukten open, opengedrukt)
  6. empujar (hundir; apretar; oprimir; abollar)
    indrukken; induwen
    • indrukken werkwoord (druk in, drukt in, drukte in, drukten in, ingedrukt)
    • induwen werkwoord (duw in, duwt in, duwde in, duwden in, ingeduwd)
  7. empujar (arriar; mover; estibar)
    duwen; voortduwen; vooruitduwen
    • duwen werkwoord (duw, duwt, duwde, duwden, geduwd)
    • voortduwen werkwoord (duw voort, duwt voort, duwde voort, duwden voort, voortgeduwd)
    • vooruitduwen werkwoord
  8. empujar (excitar; espolear; impulsar; )
    aanzetten; opzwepen; sterk prikkelen
    • aanzetten werkwoord (zet aan, zette aan, zetten aan, aangezet)
    • opzwepen werkwoord (zweep op, zweept op, zweepte op, zweepten op, opgezweept)
    • sterk prikkelen werkwoord
  9. empujar (empujar hacia delante)
    duwen; voortduwen
    • duwen werkwoord (duw, duwt, duwde, duwden, geduwd)
    • voortduwen werkwoord (duw voort, duwt voort, duwde voort, duwden voort, voortgeduwd)
  10. empujar (perseverar; retener; calar; )
    doorzetten; doordouwen
    • doorzetten werkwoord (zet door, zette door, zetten door, doorgezet)
    • doordouwen werkwoord (douw door, douwt door, douwde door, douwden door, doorgedouwd)
  11. empujar (esconder; arrancar; suprimir; reprimir; suplantar)
    verdringen; iemand van de plaats dringen
  12. empujar (incitar a; estimular; soportar; )
    aansporen; aanjagen; opjutten; porren
    • aansporen werkwoord (spoor aan, spoort aan, spoorde aan, spoorden aan, aangespoord)
    • aanjagen werkwoord (jaag aan, jaagt aan, joeg aan, joegen aan, aangejaagd)
    • opjutten werkwoord (jut op, jutte op, jutten op, opgejut)
    • porren werkwoord (por, port, porde, porden, gepord)
  13. empujar (motivar; alentar; levantar; )
    motiveren
    • motiveren werkwoord (motiveer, motiveert, motiveerde, motiveerden, gemotiveerd)
  14. empujar (empujar hacia arriba; hacer presión empujando)
    opduwen
  15. empujar (propulsar; hacer avanzar; mover; )
    voortbewegen
    • voortbewegen werkwoord (beweeg voort, beweegt voort, bewoog voort, bewogen voort, voortbewogen)
  16. empujar (arrear)
    wegjagen; voortdrijven; voortjagen; aanzwiepen; opdrijven
    • wegjagen werkwoord (jaag weg, jaagt weg, joeg weg, joegen weg, weggejaagd)
    • voortdrijven werkwoord (drijf voort, drijft voort, dreef voort, dreven voort, voortgedreven)
    • voortjagen werkwoord (jaag voort, jaagt voort, joeg voort, joegen voort, voortgejaagd)
    • aanzwiepen werkwoord
    • opdrijven werkwoord (drijf op, drijft op, dreef op, dreven op, opgedreven)

Conjugations for empujar:

presente
  1. empujo
  2. empujas
  3. empuja
  4. empujamos
  5. empujáis
  6. empujan
imperfecto
  1. empujaba
  2. empujabas
  3. empujaba
  4. empujábamos
  5. empujabais
  6. empujaban
indefinido
  1. empujé
  2. empujaste
  3. empujó
  4. empujamos
  5. empujasteis
  6. empujaron
fut. de ind.
  1. empujaré
  2. empujarás
  3. empujará
  4. empujaremos
  5. empujaréis
  6. empujarán
condic.
  1. empujaría
  2. empujarías
  3. empujaría
  4. empujaríamos
  5. empujaríais
  6. empujarían
pres. de subj.
  1. que empuje
  2. que empujes
  3. que empuje
  4. que empujemos
  5. que empujéis
  6. que empujen
imp. de subj.
  1. que empujara
  2. que empujaras
  3. que empujara
  4. que empujáramos
  5. que empujarais
  6. que empujaran
miscelánea
  1. ¡empuja!
  2. ¡empujad!
  3. ¡no empujes!
  4. ¡no empujéis!
  5. empujado
  6. empujando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

empujar [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el empujar
    het porren; aanstoten
    • porren [het ~] zelfstandig naamwoord
    • aanstoten [znw.] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor empujar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanjagen impulsar; propulsar
aansporen a instancias de; activación; aliento; animación; animar; animar a; envalentonamiento; estimulación; estimular; estímulo; impulsar; incitación; incitar a
aanstoten empujar beber a la salud de; brindar por uno
aanzetten a instancias de; animar; animar a; estimular; impulsar; incitar a
duwen tocones; tronchos
openstoten abrir a golpes
porren empujar
stoten tocones; tronchos
wegjagen desalentador; desanimante; disuasivo
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanduwen empujar
aanjagen aguijonear; animar; apoyar; apresurar; avivar; calzar; empujar; engendrar; estimular; hacer subir; hurgar; impulsar a; incentivar; incitar; incitar a; instigar; motivar; pegarse; promocionar; provocar; soportar; sostener; sujetar; suscitar
aansporen aguijonear; animar; apoyar; apresurar; avivar; calzar; empujar; engendrar; estimular; hacer subir; hurgar; impulsar a; incentivar; incitar; incitar a; instigar; motivar; pegarse; promocionar; provocar; soportar; sostener; sujetar; suscitar alentar; animar; apuntalar; arrancar; avivar; espolear; estimular; excitar; impulsar; incentivar; incitar; instigar; motivar
aanstoten chocar con; darse contra
aanzetten acelerar; aguijonear; arriar; empujar; espolear; exasperar; excitar; impulsar acentuar; afilar; animar; apresurar; atizar; avivar; conectar; encender; engordar; entornar; espolear; estimular; excitar; impulsar a; incentivar; incitar; incitar a; instigar; motivar; poner en marcha; poner en pie; sembrar discordia
aanzwiepen arrear; empujar
doordouwen calar; empujar; filtrarse; no cesar; perseverar; retener; tener constancia y tenacidad
doorzetten calar; empujar; filtrarse; no cesar; perseverar; retener; tener constancia y tenacidad continuar; perseverar; persistir
dringen empujar; urgir
duwen arriar; empujar; empujar hacia delante; estibar; mover; urgir desplazar hacia delante
een por geven chocar; empujar; hurgar; toparse
iemand van de plaats dringen arrancar; empujar; esconder; reprimir; suplantar; suprimir
indrukken abollar; apretar; empujar; hundir; oprimir
induwen abollar; apretar; empujar; hundir; oprimir
motiveren acentuar; afilar; aguijonear; alentar; animar; apoyar; apresurar; apuntalar; arreciar; atosigar; avivar; calzar; empujar; encender; engendrar; engordar; entornar; escarbar; espolear; estimular; hurgar; impulsar a; incentivar; incitar; incitar a; instigar; levantar; motivar; poner en marcha; promocionar; provocar; resucitar; secundar; sostener; sujetar; suscitar; vaciar
opdrijven arrear; empujar apresurar; cazar; correr; hacer subir; impulsar; rabiar
opduwen empujar; empujar hacia arriba; hacer presión empujando
opendrukken empujar
openstoten empujar
opjutten aguijonear; animar; apoyar; apresurar; avivar; calzar; empujar; engendrar; estimular; hacer subir; hurgar; impulsar a; incentivar; incitar; incitar a; instigar; motivar; pegarse; promocionar; provocar; soportar; sostener; sujetar; suscitar agobiar; animar; apresurar; apurar; atizar; avivar; encender; estimular; excitar; impulsar a; incitar; incitar a; instigar; poner en pie; sembrar discordia
opzwepen acelerar; aguijonear; arriar; empujar; espolear; exasperar; excitar; impulsar
porren aguijonear; animar; apoyar; apresurar; avivar; calzar; chocar; empujar; engendrar; estimular; hacer subir; hurgar; impulsar a; incentivar; incitar; incitar a; instigar; motivar; pegarse; promocionar; provocar; soportar; sostener; sujetar; suscitar; toparse
sterk prikkelen acelerar; aguijonear; arriar; empujar; espolear; exasperar; excitar; impulsar
stoten chocar; empujar; hurgar; toparse dar sacudidas; dar tumbos
verdringen arrancar; empujar; esconder; reprimir; suplantar; suprimir esconder sentimientos; ocultar sentimientos; suprimir sentimientos
voortbewegen arriar; desplazar; empujar; estibar; hacer avanzar; mover; propulsar
voortdrijven arrear; empujar
voortduwen arriar; empujar; empujar hacia delante; estibar; mover
voortjagen arrear; empujar apresurar; cazar; correr; impulsar; rabiar
vooruitduwen arriar; empujar; estibar; mover impulsar; propulsar
wegjagen arrear; empujar ahuyentar; desterrar; dispersar; echar; exiliar; expeler; expulsar

Synoniemen voor "empujar":


Wiktionary: empujar

empujar
verb
  1. verplaatsen door te duwen
  2. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
  3. met een korte snelle beweging (weg)duwen

Cross Translation:
FromToVia
empujar wegwerken; buitenwerken bundle — to hustle, dispatch quickly
empujar verdringen; drummen jostle — move through by pushing and shoving
empujar duwen push — transitive: apply a force to (an object) so that it moves away
empujar boegseren; binnenloodsen; loodsen bugsieren — (transitiv), Seefahrt: ein Schiff durch Lotsen ins Schlepptau nehmen und an einen bestimmten Ort schleppen
empujar duwen schieben — einen Gegenstand durch mechanischen Druck bewegen
empujar uiteen duwen schubsen — leicht anstoßen
empujar stoten; porren; een por geven stupsen — (umgangssprachlich) (transitiv) jemanden leicht anstoßen; mit dem Ellenbogen schubsen, um etwas zu signalisieren
empujar dragen; schoren; steunen; ondersteunen; ruggesteunen; schragen; stutten appuyerplacer contre quelque chose.
empujar douwen; dringen; duwen; stoten; aanduwen; drijven; aandrijven; opjagen; voortdrijven pousser — Faire pression contre quelqu’un ou contre quelque chose, pour le déplacer ou l’ôter de sa place.

Verwante vertalingen van empujar