Uitgebreide vertaling voor cheer up (Engels) in het Nederlands

cheer up:

to cheer up werkwoord (cheers up, cheered up, cheering up)

  1. to cheer up (console; solace; comfort)
    – cause (somebody) to feel happier or more cheerful 1
    opbeuren; bemoedigen
    • opbeuren werkwoord (beur op, beurt op, beurde op, beurden op, opgebeurd)
    • bemoedigen werkwoord (bemoedig, bemoedigt, bemoedigde, bemoedigden, bemoedigd)
  2. to cheer up (spruce up; brighten)
    – become cheerful 1
    opkikkeren; opknappen
    • opkikkeren werkwoord (kikker op, kikkert op, kikkerde op, kikkerden op, opgekikkerd)
    • opknappen werkwoord (knap op, knapt op, knapte op, knapten op, opgeknapt)
  3. to cheer up (brighten up; liven up)
    – cause (somebody) to feel happier or more cheerful 1
    opfleuren; fleurig maken
  4. to cheer up (comfort; gladden)
    – cause (somebody) to feel happier or more cheerful 1
    blij maken; opfleuren; vrolijker worden; verkwikken; opmonteren
    • blij maken werkwoord (maak blij, maakt blij, maakte blij, maakten blij, blij gemaakt)
    • opfleuren werkwoord (fleur op, fleurt op, fleurde op, fleurden op, opgefleurd)
    • vrolijker worden werkwoord
    • verkwikken werkwoord (verkwik, verkwikt, verkwikte, verkwikten, verkwikt)
    • opmonteren werkwoord (monter op, montert op, monterde op, monterden op, opgemonterd)

Conjugations for cheer up:

  1. cheer up
  2. cheer up
  3. cheers up
  4. cheer up
  5. cheer up
  6. cheer up
simple past
  1. cheered up
  2. cheered up
  3. cheered up
  4. cheered up
  5. cheered up
  6. cheered up
present perfect
  1. have cheered up
  2. have cheered up
  3. has cheered up
  4. have cheered up
  5. have cheered up
  6. have cheered up
past continuous
  1. was cheering up
  2. were cheering up
  3. was cheering up
  4. were cheering up
  5. were cheering up
  6. were cheering up
  1. shall cheer up
  2. will cheer up
  3. will cheer up
  4. shall cheer up
  5. will cheer up
  6. will cheer up
continuous present
  1. am cheering up
  2. are cheering up
  3. is cheering up
  4. are cheering up
  5. are cheering up
  6. are cheering up
  1. be cheered up
  2. be cheered up
  3. be cheered up
  4. be cheered up
  5. be cheered up
  6. be cheered up
  1. cheer up!
  2. let's cheer up!
  3. cheered up
  4. cheering up
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

cheer up bijvoeglijk naamwoord

  1. cheer up
    – cause (somebody) to feel happier or more cheerful 1
    • komaan bijvoeglijk naamwoord

Vertaal Matrix voor cheer up:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bemoedigen cheer up; comfort; console; solace comfort; encourage
blij maken cheer up; comfort; gladden brighten; charm; cheer; delight; enchant; fascinate; gladden; make happy; make someone glad; make someone happy; oblige someone with; please; ravish
fleurig maken brighten up; cheer up; liven up
opbeuren cheer up; comfort; console; solace comfort
opfleuren brighten up; cheer up; comfort; gladden; liven up bloom; flourish; prosper
opkikkeren brighten; cheer up; spruce up
opknappen brighten; cheer up; spruce up boost; fix up; jack up v; patch up; pep up; redevelop; refurbish; renew; renovate; resume
opmonteren cheer up; comfort; gladden
verkwikken cheer up; comfort; gladden enliven; freshen; freshen up; refresh; revive; tidy up
vrolijker worden cheer up; comfort; gladden
- cheer; chirk up; jolly along; jolly up
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- exhilarate
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
komaan cheer up

Synoniemen voor "cheer up":

  • cheer; jolly along; jolly up
  • chirk up; rejoice; joy

Antoniemen van "cheer up":

Verwante definities voor "cheer up":

  1. become cheerful1
  2. cause (somebody) to feel happier or more cheerful1
    • She tried to cheer up the disappointed child when he failed to win the spelling bee1

Wiktionary: cheer up

cheer up
  1. opvrolijken, animeren

Verwante vertalingen van cheer up