Uitgebreide vertaling voor effect (Engels) in het Nederlands


effect [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the effect (consequence)
    de uitwerking; het effect
    • uitwerking [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • effect [het ~] zelfstandig naamwoord
  2. the effect (result; consequence)
    het resultaat; het effect; het gevolg
    • resultaat [het ~] zelfstandig naamwoord
    • effect [het ~] zelfstandig naamwoord
    • gevolg [het ~] zelfstandig naamwoord
  3. the effect (bringing about)
    het gevolg; teweegbrengen; teweegbrenging
  4. the effect (influence; action)
    de inwerking

to effect werkwoord (effects, effected, effecting)

  1. to effect (realize; bring about; realise)
    realiseren; bewerkstelligen; verwezenlijken; verwerkelijken
    • realiseren werkwoord (realiseer, realiseert, realiseerde, realiseerden, gerealiseerd)
    • bewerkstelligen werkwoord (bewerkstellig, bewerkstelligt, bewerkstelligde, bewerkstelligden, bewerkstelligd)
    • verwezenlijken werkwoord (verwezenlijk, verwezenlijkt, verwezenlijkte, verwezenlijkten, verwezenlijkt)
    • verwerkelijken werkwoord (verwerkelijk, verwerkelijkt, verwerkelijkte, verwerkelijkten, verwerkelijkt)
  2. to effect (bring about; bring on; produce)
    teweegbrengen; losmaken
    • teweegbrengen werkwoord (breng teweeg, brengt teweeg, bracht teweeg, brachten teweeg, teweeggebracht)
    • losmaken werkwoord (maak los, maakt los, maakte los, maakten los, losgemaakt)

Conjugations for effect:

  1. effect
  2. effect
  3. effects
  4. effect
  5. effect
  6. effect
simple past
  1. effected
  2. effected
  3. effected
  4. effected
  5. effected
  6. effected
present perfect
  1. have effected
  2. have effected
  3. has effected
  4. have effected
  5. have effected
  6. have effected
past continuous
  1. was effecting
  2. were effecting
  3. was effecting
  4. were effecting
  5. were effecting
  6. were effecting
  1. shall effect
  2. will effect
  3. will effect
  4. shall effect
  5. will effect
  6. will effect
continuous present
  1. am effecting
  2. are effecting
  3. is effecting
  4. are effecting
  5. are effecting
  6. are effecting
  1. be effected
  2. be effected
  3. be effected
  4. be effected
  5. be effected
  6. be effected
  1. effect!
  2. let's effect!
  3. effected
  4. effecting
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Vertaal Matrix voor effect:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
effect consequence; effect; result
gevolg bringing about; consequence; effect; result accepting; carrying out; consequence; court; court circle; court dignitaries; fruit; obeying; outcome; result; royal household
inwerking action; effect; influence
resultaat consequence; effect; result result
teweegbrengen bringing about; effect
teweegbrenging bringing about; effect
uitwerking consequence; effect
- burden; consequence; core; essence; event; force; gist; impression; issue; outcome; result; upshot
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bewerkstelligen bring about; effect; realise; realize accomplish; succeed
losmaken bring about; bring on; effect; produce get undone; let go; liberate; loose; loosen; pull out; release; set at liberty; set free; unlace; unpick; unpin; untie; work loose
realiseren bring about; effect; realise; realize contain; get to know; grasp; hold; realise; realize
resultaat arrive at; end up; lead to; result in; turn out; work out
teweegbrengen bring about; bring on; effect; produce bring about; bring on; cause; elicit
verwerkelijken bring about; effect; realise; realize
verwezenlijken bring about; effect; realise; realize
- effectuate; set up
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- bring about; execution; influence; result

Verwante woorden van "effect":

Synoniemen voor "effect":

Verwante definities voor "effect":

  1. an outward appearance1
    • she retained that bold effect in her reproductions of the original painting1
  2. (of a law) having legal validity1
    • the law is still in effect1
  3. an impression (especially one that is artificial or contrived)1
    • he just did it for effect1
  4. the central meaning or theme of a speech or literary work1
  5. a phenomenon that follows and is caused by some previous phenomenon1
    • the magnetic effect was greater when the rod was lengthwise1
  6. a symptom caused by an illness or a drug1
    • the effects of sleep loss1
    • the effect of the anesthetic1
  7. produce1
  8. act so as to bring into existence1
    • effect a change1

Wiktionary: effect

  1. to make or bring about; to implement
  1. result of an action
  1. uitwerking
  1. veroorzaken

Cross Translation:
effect effectueren effektuieren — (transitiv) eine Zahlung leisten
effect effectueren effektuieren — (transitiv) einen Auftrag, Befehl, Plan oder ein Vorhaben ausführen
effect succes; welslagen; gevolg; uitvloeisel; voortvloeisel; afloop; resultaat; uitkomst; consequentie; eindresultaat aboutissement — Action d’aboutir.
effect effect; indruk effet — Traductions à trier suivant le sens
effect afdruk; spoor; voetspoor; drukwerk; belichting; effect; impressie; indruk impression — imprimerie|fr action par laquelle une chose appliquer sur une autre y laisser une empreinte ; résultat de cette action.
effect reikwijdte; draagwijdte portée — Importance d’un raisonnement, d’une expression
effect afloop; gevolg; resultaat; uitkomst; uitslag; uitvloeisel; voortvloeisel résultat — Ce qui résulter, ce qui s’ensuivre d’une délibération, d’un principe, d’une opération, d’un événement, etc.

Verwante vertalingen van effect