Nederlands

Uitgebreide vertaling voor kloof (Nederlands) in het Duits

kloof:

kloof [de ~] zelfstandig naamwoord

  1. de kloof (inkeping; reet; uitsparing; )
    der Einschnitt; die Spalte; der Riß; die Kerbe
    • Einschnitt [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Spalte [die ~] zelfstandig naamwoord
    • Riß [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Kerbe [die ~] zelfstandig naamwoord
  2. de kloof (tussenruimte; uitsparing; spleet; opening)
    die Aussparung; die Spalte; die Kluft; der Zwischenraum
  3. de kloof (bergkloof; bergspleet; rotskloof)
    der Spalt; der Abgrund; die Schlucht; die Spalte; die Felsspalte; der Felsspalt; die Felsenschlucht

Vertaal Matrix voor kloof:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Abgrund bergkloof; bergspleet; kloof; rotskloof afgrond; afgronden; grondeloze diepte; ravijn; ravijnen
Aussparung kloof; opening; spleet; tussenruimte; uitsparing bezuiniging; kostenverlaging
Einschnitt barst; gat; groef; inkeping; kloof; opening; reet; scheur; split; uitsparing brandgang; haal; inkeping; inkerving; insnijding; jaap; keep; kerf; kras; pennekras; scheiding; segregatie; snede; snee; snijwond; sponning; verbreking; vore
Felsenschlucht bergkloof; bergspleet; kloof; rotskloof ravijn
Felsspalt bergkloof; bergspleet; kloof; rotskloof
Felsspalte bergkloof; bergspleet; kloof; rotskloof rotsspleet
Kerbe barst; gat; groef; inkeping; kloof; opening; reet; scheur; split; uitsparing inkeping; inkerving; insnijding; jaap; keep; kerf; kerfsnede; snede; snee
Kluft kloof; opening; spleet; tussenruimte; uitsparing kloffie
Riß barst; gat; groef; inkeping; kloof; opening; reet; scheur; split; uitsparing barst; breuk; krak; scheur; torn
Schlucht bergkloof; bergspleet; kloof; rotskloof afgronden; ravijn; ravijnen
Spalt bergkloof; bergspleet; kloof; rotskloof kiertje; naad; scheur; sponning; torn; voeg
Spalte barst; bergkloof; bergspleet; gat; groef; inkeping; kloof; opening; reet; rotskloof; scheur; spleet; split; tussenruimte; uitsparing geluidsniveau; holte; kolom; kolom tekst op een pagina; muurnis; nis; paginagedeelte; scheur; spouw; torn; uitholling; volume
Zwischenraum kloof; opening; spleet; tussenruimte; uitsparing interim; spatie; tussenpoos; tussentijd
Not SpecifiedVerwante vertalingenAndere vertalingen
Spalte kolom

Synoniemen voor "kloof":


Verwante definities voor "kloof":

  1. diepe barst1
    • er loopt een kloof tussen de twee bergen1

Wiktionary: kloof

kloof
noun
  1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
kloof
noun
  1. enger und steiler Einschnitt in ein Tal

Cross Translation:
FromToVia
kloof Abgrund abyss — moral depravity, vast intellectual or moral depth
kloof Schlucht; Felsschlucht; Klamm canyon — a valley cut in rock by a river
kloof Kluft chasm — difference of opinion
kloof Spalte; Abgrund; Kluft chasm — gap
kloof Schlucht gorge — deep passage
kloof Schlucht; Abgrund; Tiefe abîme — géographie|fr gouffre très profond.
kloof Rachen; Schlund; Abgrund; Tiefe gouffrecavité large et profonde, vide ou remplie d’eau.

kluiven:

kluiven werkwoord (kluif, kluift, kloof, kloven, gekloven)

  1. kluiven (knauwen)
    knabbern; essen; speisen; verzehren; verspeisen; nagen; aufessen
    • knabbern werkwoord (knabbere, knabberst, knabbert, knabberte, knabbertet, keknabbert)
    • essen werkwoord (esse, ißt, aß, aßt, gegessen)
    • speisen werkwoord (speise, speist, speiste, speistet, gespeist)
    • verzehren werkwoord (verzehre, verzehrst, verzehrt, verzehrte, verzehrtet, verzehrt)
    • verspeisen werkwoord (verspeise, verspeist, verspeiste, verspeistet, verspeist)
    • nagen werkwoord (nage, nagst, nagt, nagte, nagtet, genagt)
    • aufessen werkwoord (esse auf, ißt auf, aß auf, aßt auf, aufgegessen)

Conjugations for kluiven:

o.t.t.
  1. kluif
  2. kluift
  3. kluift
  4. kluiven
  5. kluiven
  6. kluiven
o.v.t.
  1. kloof
  2. kloof
  3. kloof
  4. kloven
  5. kloven
  6. kloven
v.t.t.
  1. heb gekloven
  2. hebt gekloven
  3. heeft gekloven
  4. hebben gekloven
  5. hebben gekloven
  6. hebben gekloven
v.v.t.
  1. had gekloven
  2. had gekloven
  3. had gekloven
  4. hadden gekloven
  5. hadden gekloven
  6. hadden gekloven
o.t.t.t.
  1. zal kluiven
  2. zult kluiven
  3. zal kluiven
  4. zullen kluiven
  5. zullen kluiven
  6. zullen kluiven
o.v.t.t.
  1. zou kluiven
  2. zou kluiven
  3. zou kluiven
  4. zouden kluiven
  5. zouden kluiven
  6. zouden kluiven
diversen
  1. kluif!
  2. kluift!
  3. gekloven
  4. kluivend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor kluiven:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aufessen kluiven; knauwen bikken; binnenkrijgen; bunkeren; consumeren; eten; gebruiken; leegeten; naar binnen werken; nuttigen; opeten; oppeuzelen; opslokken; opvreten; schransen; schrokken; tegoed doen; tot zich nemen; verorberen; verslinden; verzwelgen; vreten; zitten proppen; zwelgen
essen kluiven; knauwen bikken; bunkeren; consumeren; dineren; eten; gebruiken; leegeten; lunchen; naar binnen werken; nuttigen; opeten; oppeuzelen; schaften; schransen; schrokken; spijzen; tafelen; tegoed doen; tot zich nemen; uitgebreid eten; verorberen; voeden; voedsel geven; vreten; zitten proppen
knabbern kluiven; knauwen beknibbelen; knabbelen; knagen; knauwen; knibbelen; knijpen; peuzelen; schrapen
nagen kluiven; knauwen knabbelen; knagen; knauwen; peuzelen
speisen kluiven; knauwen azen; bikken; bunkeren; consumeren; dineren; eten; eten geven; gebruiken; leegeten; naar binnen werken; nuttigen; opeten; oppeuzelen; opvreten; prooizoeken; schransen; schrokken; spijzen; spijzigen; tafelen; te eten geven; tegoed doen; tot zich nemen; uitgebreid eten; verorberen; voeden; voederen; voeren; vreten; zitten proppen
verspeisen kluiven; knauwen bikken; binnenkrijgen; bunkeren; consumeren; eten; leegeten; naar binnen werken; nuttigen; opeten; opslokken; opvreten; schransen; schrokken; tegoed doen; tot zich nemen; verorberen; vreten; zitten proppen; zwelgen
verzehren kluiven; knauwen bikken; binnenkrijgen; bunkeren; consumeren; doorleven; doorstaan; eten; gebruiken; leegeten; naar binnen werken; nuttigen; opeten; oppeuzelen; opslokken; opvreten; schransen; schrokken; tegoed doen; tot zich nemen; uitgeven voor een maaltijd; verdragen; verduren; verorberen; verslinden; verteren; vreten; zitten proppen; zwelgen

Verwante woorden van "kluiven":


Wiktionary: kluiven

kluiven
verb
  1. een bot in handen houden en er vlees van afhappen

kloof vorm van kloven:

kloven werkwoord (kloof, klooft, kloofde, kloofden, gekloofd)

  1. kloven (uiteensplijten; splitsen; splijten; klieven)
    spleißen; splissen; zerhacken
    • spleißen werkwoord (spleiße, spleißt, spliss, splisset, gesplissen)
    • splissen werkwoord (splisse, splisst, splisste, splisstet, gesplißt)
    • zerhacken werkwoord (zerhacke, zerhackst, zerhackt, zerhackte, zerhacktet, zerhackt)
  2. kloven (in tweeën houwen; klieven; doormidden hakken; )
    streichen; bersten; durchschneiden; splissen; spleißen; durchhauen; schlagen; spalten
    • streichen werkwoord (streiche, streichst, streicht, strich, stricht, gestrichen)
    • bersten werkwoord (berste, birst, barst, barstet, geborsten)
    • durchschneiden werkwoord (durchschnitte, durchschnittest, durchschnitt, durchschnittet, durchschnitten)
    • splissen werkwoord (splisse, splisst, splisste, splisstet, gesplißt)
    • spleißen werkwoord (spleiße, spleißt, spliss, splisset, gesplissen)
    • durchhauen werkwoord (haue durch, haust durch, haut durch, haute durch, hautet durch, durchgehaut)
    • schlagen werkwoord (schlage, schlägst, schlägt, schlug, schlugt, geschlagen)
    • spalten werkwoord (spalte, spaltest, spaltet, spaltete, spaltetet, gespaltet)

Conjugations for kloven:

o.t.t.
  1. kloof
  2. klooft
  3. klooft
  4. kloven
  5. kloven
  6. kloven
o.v.t.
  1. kloofde
  2. kloofde
  3. kloofde
  4. kloofden
  5. kloofden
  6. kloofden
v.t.t.
  1. heb gekloofd
  2. hebt gekloofd
  3. heeft gekloofd
  4. hebben gekloofd
  5. hebben gekloofd
  6. hebben gekloofd
v.v.t.
  1. had gekloofd
  2. had gekloofd
  3. had gekloofd
  4. hadden gekloofd
  5. hadden gekloofd
  6. hadden gekloofd
o.t.t.t.
  1. zal kloven
  2. zult kloven
  3. zal kloven
  4. zullen kloven
  5. zullen kloven
  6. zullen kloven
o.v.t.t.
  1. zou kloven
  2. zou kloven
  3. zou kloven
  4. zouden kloven
  5. zouden kloven
  6. zouden kloven
en verder
  1. is gekloofd
diversen
  1. kloof!
  2. klooft!
  3. gekloofd
  4. klovend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

kloven [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.

  1. de kloven (bergkloven; spleten)
    die Klüfte; die Gebirgsschlüchte; die Schlünde

Vertaal Matrix voor kloven:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Gebirgsschlüchte bergkloven; kloven; spleten
Klüfte bergkloven; kloven; spleten
Schlünde bergkloven; kloven; spleten bekken; muilen
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bersten doorhakken; doorhouwen; doorklieven; doormidden hakken; in tweeën houwen; klieven; kloven aan stukken springen; barsten; knappen; kunnen stikken; losspringen; ontploffen; openspringen; ploffen; springen; uit elkaar spatten; uit elkaar springen
durchhauen doorhakken; doorhouwen; doorklieven; doormidden hakken; in tweeën houwen; klieven; kloven
durchschneiden doorhakken; doorhouwen; doorklieven; doormidden hakken; in tweeën houwen; klieven; kloven doorknippen; doorsnijden
schlagen doorhakken; doorhouwen; doorklieven; doormidden hakken; in tweeën houwen; klieven; kloven bakkeleien; behalen; bekampen; beroeren; bestrijden; beuken; bevechten; bonken; duelleren; een klap geven; een opdonder verkopen; een radslag maken; hameren; hard slaan; heien; hengsten; kampen; kleunen; klinken; knokken; matten; meppen; raken; rammen; slaan; spijkeren; timmeren; tokkelen; treffen; vastnagelen; vastslaan; vastspijkeren; vechten; verkrijgen; winnen
spalten doorhakken; doorhouwen; doorklieven; doormidden hakken; in tweeën houwen; klieven; kloven desintegreren; uit elkaar vallen; uiteenvallen; zich laten splijten
spleißen doorhakken; doorhouwen; doorklieven; doormidden hakken; in tweeën houwen; klieven; kloven; splijten; splitsen; uiteensplijten loskoppelen; scheiden; splitsen; uit elkaar halen; uiteengaan; uitsplitsen
splissen doorhakken; doorhouwen; doorklieven; doormidden hakken; in tweeën houwen; klieven; kloven; splijten; splitsen; uiteensplijten loskoppelen; scheiden; splitsen; uit elkaar halen; uiteengaan; uitsplitsen
streichen doorhakken; doorhouwen; doorklieven; doormidden hakken; in tweeën houwen; klieven; kloven afbestellen; afgelasten; afzeggen; annuleren; beschilderen; doorstrepen; intrekken; kalken; lakken; nietig verklaren; omzwerven; sausen; schilderen; verven; vioolspelen; witten; zwerven
zerhacken klieven; kloven; splijten; splitsen; uiteensplijten stukhakken

Verwante woorden van "kloven":

  • klove

Wiktionary: kloven

kloven
verb
  1. het op bepaalde wijzen splijten van een diamant
kloven
verb
  1. transitiv; österreichisch, südostdeutsch umgangssprachlich: (Holz) der Länge nach zerteilen

Cross Translation:
FromToVia
kloven spalten fendre — Traductions à trier suivant le sens

Computer vertaling door derden: