Nederlands

Uitgebreide vertaling voor scheuten (Nederlands) in het Duits

scheuten:

scheuten [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.

  1. de scheuten (pijnscheuten)
    die Schmerzensstiche
  2. de scheuten (stekken; spruiten; schoten)
    der Sprößlinge; der Setzlinge; der Stecklinge
  3. de scheuten (nieuwe twijgen; knoppen; uitlopers)
    der Böcke; der Sessel; der Reisig; der Ausläufer
    • Böcke [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Sessel [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Reisig [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Ausläufer [der ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor scheuten:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Ausläufer knoppen; nieuwe twijgen; scheuten; uitlopers barkrukken; rank; ranken
Böcke knoppen; nieuwe twijgen; scheuten; uitlopers barkrukken; keusteunen
Reisig knoppen; nieuwe twijgen; scheuten; uitlopers rijshout; sprokkelhout
Schmerzensstiche pijnscheuten; scheuten
Sessel knoppen; nieuwe twijgen; scheuten; uitlopers banken; crapaud; fauteuil; gestoelte; luie stoel; makkelijke stoel; stoel; stoelen; zetel; zetels; zitbanken; zitplaats
Setzlinge scheuten; schoten; spruiten; stekken geplant aantal; gepoot aantal
Sprößlinge scheuten; schoten; spruiten; stekken broed; broedsel; gebroed
Stecklinge scheuten; schoten; spruiten; stekken

Verwante woorden van "scheuten":


scheuten vorm van scheut:

scheut [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de scheut (stekje; spruit; loot)
    der Sprößling; der Sproß; der Trieb; der Schößling
  2. de scheut (plantestekje; spruit; jonge plant; schoot; stek)
    der Sprößling; der Schuß; der Trieb
    • Sprößling [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Schuß [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Trieb [der ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor scheut:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Schuß jonge plant; plantestekje; scheut; schoot; spruit; stek bam; dreun; explosie; klap; knal; kwak; ontploffing; plof; scheutje; scheutjes; smak
Schößling loot; scheut; spruit; stekje
Sproß loot; scheut; spruit; stekje afstammeling; nakomeling; rank; ranken; telg; uitloper
Sprößling jonge plant; loot; plantestekje; scheut; schoot; spruit; stek; stekje afstammeling; dreumes; hummel; jochie; klein jongetje; klein kind; kleintje; nakomeling; peuter; telg; uk; worm; wurm
Trieb jonge plant; loot; plantestekje; scheut; schoot; spruit; stek; stekje aandrift; drift; drijven van vee; genoegen; genot; instinct; jool; leut; lust; plezier; pret; rank; ranken; seksuele begeerte; voortgedreven vee

Verwante woorden van "scheut":


Wiktionary: scheut


Cross Translation:
FromToVia
scheut Spross; Sprössling; Ableger; Pfropfreis; Reis; Steckling scion — (detached) shoot or twig
scheut Ableger shoot — emerging stem and embryonic leaves of a new plant
scheut Spross; Sprössling sprout — new growth on a plant