Overzicht


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor gedeeld (Nederlands) in het Spaans

gedeeld:

gedeeld bijvoeglijk naamwoord

  1. gedeeld (meegevoeld)
    compartido; común; colectivo; en común
  2. gedeeld (verdeeld)
    compartido; común; en común

Vertaal Matrix voor gedeeld:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
colectivo aantal personen bijeen; collectief; gezelschap; groep
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
colectivo gedeeld; meegevoeld aaneengesloten; een eenheid vormend; eendrachtig; eensgezind; harmonieus; saamhorig; samenhangend; verbonden; verenigd
compartido gedeeld; meegevoeld; verdeeld
común gedeeld; meegevoeld; verdeeld algemeen; alledaags; alledaagse; courant; doodgewoon; eenvoudig; gangbaar; gebruikelijk; gemeen; gemeenschappelijk; gewoon; laag; laag-bij-de-grond; laaghartig; meer personen betreffend; niets bijzonders; normaal; onedel; ordinair
en común gedeeld; meegevoeld; verdeeld

Wiktionary: gedeeld


Cross Translation:
FromToVia
gedeeld compartido shared — used multiply

gedeeld vorm van delen:

delen werkwoord (deel, deelt, deelde, deelden, gedeeld)

  1. delen (opsplitsen; splitsen; opdelen)
    compartir; subdividir; distribuir; repartir; separar
  2. delen
    compartir

Conjugations for delen:

o.t.t.
  1. deel
  2. deelt
  3. deelt
  4. delen
  5. delen
  6. delen
o.v.t.
  1. deelde
  2. deelde
  3. deelde
  4. deelden
  5. deelden
  6. deelden
v.t.t.
  1. heb gedeeld
  2. hebt gedeeld
  3. heeft gedeeld
  4. hebben gedeeld
  5. hebben gedeeld
  6. hebben gedeeld
v.v.t.
  1. had gedeeld
  2. had gedeeld
  3. had gedeeld
  4. hadden gedeeld
  5. hadden gedeeld
  6. hadden gedeeld
o.t.t.t.
  1. zal delen
  2. zult delen
  3. zal delen
  4. zullen delen
  5. zullen delen
  6. zullen delen
o.v.t.t.
  1. zou delen
  2. zou delen
  3. zou delen
  4. zouden delen
  5. zouden delen
  6. zouden delen
en verder
  1. is gedeeld
  2. zijn gedeeld
diversen
  1. deel!
  2. deelt!
  3. gedeeld
  4. delend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

delen [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.

  1. de delen (porties; stukken; segmenten; )
    la partes; la piezas; el barriles; la unidades; la raciones; la porciones
    • partes [la ~] zelfstandig naamwoord
    • piezas [la ~] zelfstandig naamwoord
    • barriles [el ~] zelfstandig naamwoord
    • unidades [la ~] zelfstandig naamwoord
    • raciones [la ~] zelfstandig naamwoord
    • porciones [la ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor delen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
barriles barrels; delen; parten; partjes; porties; segmenten; stukken barrels; kuipen
partes barrels; delen; parten; partjes; porties; segmenten; stukken
piezas barrels; delen; parten; partjes; porties; segmenten; stukken damschijven
porciones barrels; delen; parten; partjes; porties; segmenten; stukken
raciones barrels; delen; parten; partjes; porties; segmenten; stukken
separar afhaken; afkoppeling; ontkoppeling; uiteengaan; uitnemen
unidades barrels; delen; parten; partjes; porties; segmenten; stukken eenheden
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
compartir delen; opdelen; opsplitsen; splitsen zich splitsen
distribuir delen; opdelen; opsplitsen; splitsen distribueren; rantsoeneren; ronddelen; rondgeven; rondreiken; uitdelen; uitreiken; verdelen; verzenden; zich splitsen
repartir delen; opdelen; opsplitsen; splitsen aanleveren; afleveren; arrangeren; bestellen; bezorgen; brengen; distribueren; groeperen; gunnen; iets toekennen; indelen; leveren; ordenen; orderen; overhandigen; rondbrengen; ronddelen; rondgeven; rondreiken; systematiseren; thuisbezorgen; toebedelen; toekennen; toeleveren; toewijzen; trakteren; uitdelen; uitreiken; verdelen; versturen; zenden; zich splitsen
separar delen; opdelen; opsplitsen; splitsen afbreken; afhalen; afkoppelen; afnemen; afrukken; afscheiden; afscheuren; afsplijten; afsplitsen; afzonderen; apart zetten; beëindigen; debrayeren; extraheren; forceren; hamsteren; isoleren; loskoppelen; loskrijgen; losmaken; losrukken; losscheuren; lostornen; lostrekken; meenemen; ontbinden; ontkoppelen; ontzetten; ophalen; opheffen; oppotten; opzij leggen; potten; scheiden; separeren; splitsen; stukmaken; tornen; uit de macht ontzetten; uit elkaar gaan; uit elkaar halen; uiteengaan; uiteenhalen; uithalen; uitsplitsen; uittrekken; verbreken; verbrijzelen; weghalen; wegnemen; zich splitsen
subdividir delen; opdelen; opsplitsen; splitsen onderverdelen; zich splitsen

Verwante woorden van "delen":


Synoniemen voor "delen":


Verwante definities voor "delen":

  1. iedereen er iets van geven1
    • zij moesten de zak snoep met elkaar delen1
  2. rekenkundige handeling1
    • kun je dit getal door twee delen?1
  3. het in stukken splitsen1
    • ik deel de koek in twee stukken1

Wiktionary: delen


Cross Translation:
FromToVia
delen repartir deal — distribute (cards)
delen dividir dividierenDivision vollziehen; eine Zahl durch eine andere teilen
delen dividir; partir diviserséparer en parties, morceler, fractionner.
delen división division — math|nocat=1 Opération arithmétique.
delen dividir; partir débitervendre d’une façon continue, répéter, surtout au détail.
delen compartir; dividir; partir; repartir partagerdiviser une chose en plusieurs parties séparer, pour en faire la distribution.