Nederlands

Uitgebreide vertaling voor strikt (Nederlands) in het Spaans

strikt:

strikt bijvoeglijk naamwoord

  1. strikt (stringent; dwingend; bindend; streng)
    riguroso; terminante
  2. strikt (volgens de regels; streng)
  3. strikt (streng; stringent; onvermurwbaar)
    estricto; severo; riguroso
  4. strikt (punctueel; stipt; precies; exact)
    puntual; estricto; riguroso; escrupuloso; puntualmente

Vertaal Matrix voor strikt:

BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
de acuerdo con las reglas streng; strikt; volgens de regels
escrupuloso exact; precies; punctueel; stipt; strikt accuraat; angstvallig; conscientieus; gedetailleerd; minutieus; nauwgezet; nauwkeurig; nauwlettend; net; precies; secuur; stipt; zorgvuldig
estricto exact; onvermurwbaar; precies; punctueel; stipt; streng; strikt; stringent accuraat; met grote juistheid; nauwgezet; nauwkeurig; nauwlettend; precies; secuur; stipt
puntual exact; precies; punctueel; stipt; strikt accuraat; conscientieus; nauwgezet; nauwkeurig; nauwlettend; net; onverwijld; precies; secuur; stipt; zorgvuldig
puntualmente exact; precies; punctueel; stipt; strikt accuraat; nauwgezet; nauwkeurig; nauwlettend; precies; secuur
riguroso bindend; dwingend; exact; onvermurwbaar; precies; punctueel; stipt; streng; strikt; stringent bitter teleurgesteld; felle; guur; hard; hardop; kil; luid; rigoureus; verbitterd
severo onvermurwbaar; streng; strikt; stringent corpulent; dik; doordringend; emotieloos; gestreng; gevoelloos; gezet; hard; hardop; hardvochtig; harteloos; indringend; liefdeloos; lijvig; luid; niet toegevend; ongevoelig; schel klinkend; scherp; streng; vlijmend; vlijmscherp; zielloos; zwaarlijvig
terminante bindend; dwingend; streng; strikt; stringent

Verwante woorden van "strikt":

  • striktheid, strikter, striktere, striktst, striktste

strikken:

strikken werkwoord (strik, strikt, strikte, strikten, gestrikt)

  1. strikken (in de val laten lopen)
  2. strikken (knevelen; binden; vastbinden; vastmaken; knopen)
    amarrar; atar; amordazar; agarrotar
  3. strikken (vastknopen; aan elkaar knopen; knopen; aan elkaar binden)
    ligar; atar; anudar

Conjugations for strikken:

o.t.t.
  1. strik
  2. strikt
  3. strikt
  4. strikken
  5. strikken
  6. strikken
o.v.t.
  1. strikte
  2. strikte
  3. strikte
  4. strikten
  5. strikten
  6. strikten
v.t.t.
  1. heb gestrikt
  2. hebt gestrikt
  3. heeft gestrikt
  4. hebben gestrikt
  5. hebben gestrikt
  6. hebben gestrikt
v.v.t.
  1. had gestrikt
  2. had gestrikt
  3. had gestrikt
  4. hadden gestrikt
  5. hadden gestrikt
  6. hadden gestrikt
o.t.t.t.
  1. zal strikken
  2. zult strikken
  3. zal strikken
  4. zullen strikken
  5. zullen strikken
  6. zullen strikken
o.v.t.t.
  1. zou strikken
  2. zou strikken
  3. zou strikken
  4. zouden strikken
  5. zouden strikken
  6. zouden strikken
en verder
  1. ben gestrikt
  2. bent gestrikt
  3. is gestrikt
  4. zijn gestrikt
  5. zijn gestrikt
  6. zijn gestrikt
diversen
  1. strik!
  2. strikt!
  3. gestrikt
  4. strikkend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor strikken:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
anudar aanknopen; knopen
atar aanhechten; aanknopen; vasthechten
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
agarrotar binden; knevelen; knopen; strikken; vastbinden; vastmaken stijf maken; stijven
amarrar binden; knevelen; knopen; strikken; vastbinden; vastmaken aanleggen; aanmeren; afbinden; afmeren; afsnoeren; blokken; dichtbinden; leerstof erin stampen; leren; meren; studeren; toebinden; vastbinden; vastleggen; vastmaken; vastmeren; vastsjorren; vastsnoeren; verankeren; zekeren
amordazar binden; knevelen; knopen; strikken; vastbinden; vastmaken
anudar aan elkaar binden; aan elkaar knopen; knopen; strikken; vastknopen aanlokken; dichtbinden; lokken; meelokken; toebinden; verleiden; verlokken; voortlokken; weglokken
atar aan elkaar binden; aan elkaar knopen; binden; knevelen; knopen; strikken; vastbinden; vastknopen; vastmaken aan elkaar bevestigen; aan elkaar binden; aaneenbinden; aanhechten; aanlijnen; afbinden; afsnoeren; bevestigen; detineren; dichtbinden; dichtrijgen; dichtsnoeren; gevangenhouden; hechten; hoogbinden; in hechtenis houden; knopen; om het lijf binden; ombinden; omhoogbinden; omwinden; onderbinden; opbinden; rijgen; samenbinden; samenbundelen; samenknopen; snoeren; toebinden; toesnoeren; vastbinden; vasthouden; vastmaken; vastsjorren; verankeren; verbinden
hacer caer en la trampa in de val laten lopen; strikken
ligar aan elkaar binden; aan elkaar knopen; knopen; strikken; vastknopen afbinden; afsnoeren; doorverbinden

Verwante woorden van "strikken":


Wiktionary: strikken


Cross Translation:
FromToVia
strikken red net — figurative: trap
strikken atar; ligar; amarrar tie — to attach or fasten with string
strikken cebar ködern — jemanden oder ein Tier anlocken, in eine Falle locken

Verwante vertalingen van strikt