Remove Ads

Spaans

Uitgebreide vertaling voor vencer (Spaans) in het Nederlands

vencer:

vencer werkwoord

  1. vencer (triunfar; salir victorioso)
    winnen; overwinnen; te boven komen; verslaan
    • winnen werkwoord (win, wint, won, wonnen, gewonnen)
    • overwinnen werkwoord (overwin, overwint, overwon, overwonnen, overwonnen)
    • te boven komen werkwoord (kom te boven, komt te boven, kwam te boven, kwamen te boven, te boven gekomen)
    • verslaan werkwoord (versla, verslaat, versloeg, versloegen, verslagen)
  2. vencer (ganar; triunfar; salir victorioso; salir triunfante)
    winnen; de overwinning behalen; zegevieren
    • winnen werkwoord (win, wint, won, wonnen, gewonnen)
    • de overwinning behalen werkwoord (behaal de overwinning, behaalt de overwinning, behaalde de overwinning, behaalden de overwinning, de overwinning behaald)
    • zegevieren werkwoord (zegevier, zegeviert, zegevierde, zegevierden, gezegevierd)
  3. vencer (concluir; decidir; decidirse a; )
    besluiten; beslissen
    • besluiten werkwoord (besluit, besloot, besloten, besloten)
    • beslissen werkwoord (beslis, beslist, besliste, beslisten, beslist)
  4. vencer (abreviar; disminuir; bajar; )
    declineren; afnemen; achteruitgaan; minder worden
    • declineren werkwoord (declineer, declineert, declineerde, declineerden, gedeclineerd)
    • afnemen werkwoord (neem af, neemt af, nam af, namen af, afgenomen)
    • achteruitgaan werkwoord (ga achteruit, gaat achteruit, ging achteruit, gingen achteruit, achteruitgegaan)
    • minder worden werkwoord (word minder, wordt minder, werd minder, werden minder, minder geworden)
  5. vencer (salir fallido; caerse; estropearse; )
    afknappen; er vanaf breken
  6. vencer (efectuar; terminar; finalizar; )
    beëindigen; afsluiten; eindigen; ophouden; stoppen; een einde maken aan
    • beëindigen werkwoord (beëindig, beëindigt, beëindigde, beëindigden, beëindigd)
    • afsluiten werkwoord (sluit af, sloot af, sloten af, afgesloten)
    • eindigen werkwoord (eindig, eindigt, eindigde, eindigden, geëindigd)
    • ophouden werkwoord (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stoppen werkwoord (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • een einde maken aan werkwoord (maak een einde aan, maakt een einde aan, maakte een einde aan, maakten een einde aan, een einde gemaakt aan)
  7. vencer (fliparse; fracasar; derrumbar; )
    begeven; flippen
    • begeven werkwoord (begeef, begeeft, begaf, begaven, begeven)
    • flippen werkwoord (flip, flipt, flipte, flipten, geflipt)
  8. vencer (supeditar; someter; subyugar)
    onderwerpen; onder gezag brengen
  9. vencer

Conjugations for vencer:

presente
  1. venzo
  2. vences
  3. vence
  4. vencemos
  5. vencéis
  6. vencen
imperfecto
  1. vencía
  2. vencías
  3. vencía
  4. vencíamos
  5. vencíais
  6. vencían
indefinido
  1. vencí
  2. venciste
  3. venció
  4. vencimos
  5. vencisteis
  6. vencieron
fut. de ind.
  1. venceré
  2. vencerás
  3. vencerá
  4. venceremos
  5. venceréis
  6. vencerán
condic.
  1. vencería
  2. vencerías
  3. vencería
  4. venceríamos
  5. venceríais
  6. vencerían
pres. de subj.
  1. que venza
  2. que venzas
  3. que venza
  4. que venzamos
  5. que venzáis
  6. que venzan
imp. de subj.
  1. que venciera
  2. que vencieras
  3. que venciera
  4. que venciéramos
  5. que vencierais
  6. que vencieran
miscelánea
  1. ¡vence!
  2. ¡venced!
  3. ¡no venzas!
  4. ¡no venzáis!
  5. vencido
  6. venciendo
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

vencer [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el vencer (caducar)
    verstrijken; het vervallen

Synoniemen voor "vencer":


Computer vertaling door derden:
Images:


Remove Ads

Remove Ads