Overzicht
Nederlands naar Frans:   Meer gegevens...
  1. verstard:
  2. verstarren:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor verstard (Nederlands) in het Frans

verstard:

verstard bijvoeglijk naamwoord

  1. verstard (star; strak)
    fixe; raide; rigide; impassible; fixement

Vertaal Matrix voor verstard:

BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
fixe star; strak; verstard bestendig; chagrijnig; definitief; geconcentreerd; ingespannen; knorrig; korzelig; nors; nurks; onafgewend; onbuigzaam; onveranderlijk; onverzettelijk; permanent; stijfkoppig; stug; taai; van sterk gehalte; vastgesteld; vaststaand; verdiept
fixement star; strak; verstard onbuigzaam; onverzettelijk; stijfkoppig; stug; taai
impassible star; strak; verstard bedaard; chagrijnig; emotieloos; gelijkmoedig; gerust; gevoelloos; hard; hardvochtig; harteloos; kalm; knorrig; koel; koelbloedig; korzelig; koud; liefdeloos; luchthartig; nors; nurks; onaandoenlijk; onaangebroken; onaangedaan; onaangeroerd; onaangetast; onbekommerd; onberoerd; onbesuisd; onbewogen; onbezorgd; onbuigzaam; onderkoeld; ongebruikt; ongehinderd; ongemoeid; ongeopend; ongestoord; ongevoelig; onverschillig; onverschrokken; onverstoord; onverzettelijk; onverzwakt; rustig; stijfkoppig; stug; taai; vrijuit; zielloos; zorgeloos
raide star; strak; verstard afgemeten; beschonken; bezopen; chagrijnig; dronken; harkerig; houterig; knorrig; korzelig; krukkig; ladderzat; nauw; nauwsluitend; nors; nurks; onbeholpen; onbuigzaam; onhandig; onverzettelijk; opgemeten; platzak; schutterig; slungelig; stijf; stijfjes; stijfkoppig; stijve; strak; stram; stroef; stug; stumperig; stuntelig; sukkelig; taai; zat
rigide star; strak; verstard chagrijnig; fel; gestreng; hanig; knorrig; korzelig; met grote juistheid; nauwgezet; niet toegevend; nors; nurks; onbuigzaam; onvermurwbaar; onverzettelijk; pinnig; scherp; snibbig; stijfkoppig; streng; strikt; stringent; stug; taai; vinnig; vlijmend; volgens de regels

verstard vorm van verstarren:

verstarren werkwoord (verstar, verstart, verstarde, verstarden, verstard)

  1. verstarren (verstijven; verstenen)
    endurcir; figer; raidir; pétrifier; durcir; engourdir; s'endurcir
    • endurcir werkwoord (endurcis, endurcit, endurcissons, endurcissez, )
    • figer werkwoord (fige, figes, figeons, figez, )
    • raidir werkwoord (raidis, raidit, raidissons, raidissez, )
    • pétrifier werkwoord (pétrifie, pétrifies, pétrifions, pétrifiez, )
    • durcir werkwoord (durcis, durcit, durcissons, durcissez, )
    • engourdir werkwoord (engourdis, engourdit, engourdissons, engourdissez, )
    • s'endurcir werkwoord

Conjugations for verstarren:

o.t.t.
  1. verstar
  2. verstart
  3. verstart
  4. verstarren
  5. verstarren
  6. verstarren
o.v.t.
  1. verstarde
  2. verstarde
  3. verstarde
  4. verstarden
  5. verstarden
  6. verstarden
v.t.t.
  1. ben verstard
  2. bent verstard
  3. is verstard
  4. zijn verstard
  5. zijn verstard
  6. zijn verstard
v.v.t.
  1. was verstard
  2. was verstard
  3. was verstard
  4. waren verstard
  5. waren verstard
  6. waren verstard
o.t.t.t.
  1. zal verstarren
  2. zult verstarren
  3. zal verstarren
  4. zullen verstarren
  5. zullen verstarren
  6. zullen verstarren
o.v.t.t.
  1. zou verstarren
  2. zou verstarren
  3. zou verstarren
  4. zouden verstarren
  5. zouden verstarren
  6. zouden verstarren
diversen
  1. verstar!
  2. verstart!
  3. verstard
  4. verstarrend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor verstarren:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
durcir verstarren; verstenen; verstijven hard worden; harden; stalen; uitharden; verharden
endurcir verstarren; verstenen; verstijven hard worden; verharden
engourdir verstarren; verstenen; verstijven
figer verstarren; verstenen; verstijven
pétrifier verstarren; verstenen; verstijven tot steen worden; verstenen
raidir verstarren; verstenen; verstijven stijf maken; stijven
s'endurcir verstarren; verstenen; verstijven hard worden; verharden

Wiktionary: verstarren


Cross Translation:
FromToVia
verstarren pétrifier petrify — to immobilize with fright