Overzicht
Duits naar Zweeds:   Meer gegevens...
  1. Knorren:


Duits

Uitgebreide vertaling voor Knorren (Duits) in het Zweeds

Knorren:

Knorren [der ~] zelfstandig naamwoord

  1. der Knorren
    kula; knopp; knapp; handtag; knöl; vred
    • kula [-en] zelfstandig naamwoord
    • knopp [-en] zelfstandig naamwoord
    • knapp [-en] zelfstandig naamwoord
    • handtag [-ett] zelfstandig naamwoord
    • knöl [-en] zelfstandig naamwoord
    • vred [-ett] zelfstandig naamwoord
  2. der Knorren (Narr am Hoff; Pinsel; Hanswurst; )
    hovnarr

Vertaal Matrix voor Knorren:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
handtag Knorren Gehhilfe; Griff; Haltegriff; Handgriff; Hebebaum; Henkel; Ohr; Tassenohr; Ziehelement; Ziehpunkt
hovnarr Alberne; Ast; Geck; Hanswurst; Irrsinnige; Klunker; Knorren; Lackaffe; Narr am Hoff; Pinsel; Quast; Stutzer; Tor; Verrückte
knapp Knorren Druckknopf; Drücker; Hemdknopf; Hemdknöpfe; Knopf; Maustaste; Schalter; Schaltfläche; Taste
knopp Knorren
knöl Knorren Bauerntölpel; Dummkopf; Flegel; Geck; Grobian; Hanswurst; Hofnarr; Hundsfott; Idiot; Irre; Irrsinnige; Lümmel; Narr; Schalk; Spaßvogel; Tor; Tröttel; Tölpel; Unebenheit; Verletzung; Verrückte; Verwundung; ungehobelter Klotz; ungeschliffener Kerl
kula Knorren Baracke; Bruchbude; Hütte; Kugel; Pansen
vred Knorren
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
knapp eng; enganliegend; hauteng; knapp; prall; schmal; straff