Uitgebreide vertaling voor expire (Engels) in het Nederlands


to expire werkwoord (expires, expired, expiring)

  1. to expire (pass; elapse; go by)
    voorbijgaan; verstrijken; verlopen; vervallen; vergaan; aflopen
    • voorbijgaan werkwoord (ga voorbij, gaat voorbij, ging voorbij, gingen voorbij, voorbij gegaan)
    • verstrijken werkwoord (verstrijk, verstrijkt, verstreek, verstreken, verstreken)
    • verlopen werkwoord (verloop, verloopt, verliep, verliepen, verlopen)
    • vervallen werkwoord (verval, vervalt, verviel, vervielen, vervallen)
    • vergaan werkwoord (verga, vergaat, verging, vergingen, vergaan)
    • aflopen werkwoord (loop af, loopt af, liep af, liepen af, afgelopen)
  2. to expire (die; pass away)
    overlijden; sterven
    – doodgaan 1
    • overlijden werkwoord (overlijd, overlijdt, overleed, overleden, overleden)
      • zijn vader is vorig jaar overleden1
    • sterven werkwoord (sterf, sterft, stierf, stierven, gestorven)
      • het konijn van Sandra is gestorven1
    doodgaan; heengaan; inslapen; ontslapen; verscheiden
    • doodgaan werkwoord (ga dood, gaat dood, ging dood, gingen dood, doodgegaan)
    • heengaan werkwoord (ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
    • inslapen werkwoord (slaap in, slaapt in, sliep in, sliepen in, ingeslapen)
    • ontslapen werkwoord (ontslaap, ontslaapt, ontsliep, ontsliepen, ontslapen)
    • verscheiden werkwoord (verscheid, verscheidt, verscheidde, verscheidden, verscheiden)
  3. to expire
    ongeldig worden
    • ongeldig worden werkwoord (word ongeldig, wordt ongeldig, werd ongeldig, werden ongeldig, ongeldig geworden)

Conjugations for expire:

  1. expire
  2. expire
  3. expires
  4. expire
  5. expire
  6. expire
simple past
  1. expired
  2. expired
  3. expired
  4. expired
  5. expired
  6. expired
present perfect
  1. have expired
  2. have expired
  3. has expired
  4. have expired
  5. have expired
  6. have expired
past continuous
  1. was expiring
  2. were expiring
  3. was expiring
  4. were expiring
  5. were expiring
  6. were expiring
  1. shall expire
  2. will expire
  3. will expire
  4. shall expire
  5. will expire
  6. will expire
continuous present
  1. am expiring
  2. are expiring
  3. is expiring
  4. are expiring
  5. are expiring
  6. are expiring
  1. be expired
  2. be expired
  3. be expired
  4. be expired
  5. be expired
  6. be expired
  1. expire!
  2. let's expire!
  3. expired
  4. expiring
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Vertaal Matrix voor expire:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
heengaan depart; leave
overlijden death; decease
vergaan rotting
verlopen expired
verscheiden death; decease
verstrijken elapsing; lapsing; passing
vervallen elapsing; lapsing; passing
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aflopen elapse; expire; go by; pass bring to a close; come to an end; come to rest; draw to an end; end; finish; finish off; go to; head for; incline; land; make for; run down; shelve; slant; slope; turn out
doodgaan die; expire; pass away be killed; be killed in action; be on one's deathbed; decease; depart this earth; depart this life; die; fall; pass away; perish; succumb
heengaan die; expire; pass away abandon; be killed; be killed in action; break up; depart; depart from; depart this earth; depart this life; die; fall; go; go away; grease; leave; leave for; pass away; perish; retire; rub in; sail; secede from; set out; smear; start; succumb; take off; travel; withdraw
inslapen die; expire; pass away be killed; be killed in action; depart this earth; depart this life; die; fall; pass away; perish; succumb
ongeldig worden expire
ontslapen die; expire; pass away
overlijden die; expire; pass away be killed; be killed in action; be on one's deathbed; decease; depart this earth; depart this life; die; fall; pass away; perish; succumb
sterven die; expire; pass away be killed; be killed in action; be on one's deathbed; become extinct; decease; depart this earth; depart this life; die; die of fear; die out; extinguish; fall; pass away; peg out; perish; pinch out; snuff; succumb
vergaan elapse; expire; go by; pass be lost; be ruined; be wrecked; come to grief; crash; crumble; decay; decline; degenerate; deteriorate; disintegrate; fall apart; fall into decay; fall into decline; fall to bits; fall to pieces; go bad; go to ruin; meet an accident; perish; rot; spoil
verlopen elapse; expire; go by; pass
verscheiden die; expire; pass away
verstrijken elapse; expire; go by; pass
vervallen elapse; expire; go by; pass be going down hill; be shortcoming; crumble; decay; decline; decrease; deteriorate; disintegrate; dwindle; fall apart; fall into decay; fall to bits; fall to pieces; go thieving; go to ruin; go under; incline; prolapse; remove; sag; shelve; shrink; sink; slant; slope; subside; take away; wain
voorbijgaan elapse; expire; go by; pass move past; overtake; pass; ride past; sail past
- breathe out; buy the farm; cash in one's chips; conk; decease; die; exhale; exit; go; kick the bucket; pass; pass away; perish; run out
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
verscheiden divers; diverse; several; various
vervallen decrepit; elapsed; expired; kicked off; lapsed; worn; worn out; worn with age
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- come to an end; leave port; put to sea; run out
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
vergaan corrupt; degenerate; depraved; perverted; putrefied; rotten
verlopen elapsed; expired; in gutter; lapsed; miserable; paltry; poor; ragged; seedy; shabby; shady; unsightly

Verwante woorden van "expire":

Synoniemen voor "expire":

Antoniemen van "expire":

Verwante definities voor "expire":

  1. expel air2
  2. pass from physical life and lose all bodily attributes and functions necessary to sustain life2
  3. lose validity2
    • My passports expired last month2
  4. To stop functioning in whole or in part. Beta versions of software are often programmed to expire when a new version is released.3

Wiktionary: expire

  1. to exhale (something)
  2. become invalid
  1. (overgankelijk) uitademen
  2. het verlopen van een tijdslimiet

Cross Translation:
expire sterven; doodgaan sterbenintransitiv: von Lebewesen: aufhören zu leben
expire doodgaan; overlijden; sterven; verscheiden; versmachten; aftrekken; vergaan décéder — admin|fr mourir, parler des personnes.
expire aflopen; eindigen; ophouden; uitgaan; uitlopen; uitraken; verlopen; afmaken; afsluiten; beëindigen; besluiten; uitmaken; voleindigen finirachever, terminer, arriver à échéance, cesser, finaliser.
expire doodgaan; overlijden; sterven; verscheiden mourir — Cesser de vivre.