Remove Ads

Engels

Uitgebreide vertaling voor jaw (Engels) in het Nederlands

jaw:

jaw [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the jaw (gossip; babble; claptrap; )
    de klap; de roddels; de roddelpraat; de roddel; de praatjes; de achterklap; het geroddel; het geklets; geklep; de klets; het geklap
    • klap [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • roddels [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.
    • roddelpraat [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • roddel [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • praatjes [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.
    • achterklap [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • geroddel [het ~] zelfstandig naamwoord
    • geklets [het ~] zelfstandig naamwoord
    • geklep [znw.] zelfstandig naamwoord
    • klets [de ~] zelfstandig naamwoord
    • geklap [het ~] zelfstandig naamwoord
  2. the jaw (empty talk; balderdash; twaddle; )
    het gelul; het gezwam; het gewauwel; het gezwets; het gebazel; het geleuter; de leuterpraat; het geklets
    • gelul [het ~] zelfstandig naamwoord
    • gezwam [het ~] zelfstandig naamwoord
    • gewauwel [het ~] zelfstandig naamwoord
    • gezwets [het ~] zelfstandig naamwoord
    • gebazel [het ~] zelfstandig naamwoord
    • geleuter [het ~] zelfstandig naamwoord
    • leuterpraat [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • geklets [het ~] zelfstandig naamwoord
  3. the jaw (bunkum; tittle-tattle; wishwash; )
    de prietpraat

to jaw werkwoord (jaws, jawed, jawing)

  1. to jaw (twaddle; babble; prattle; )
    lullen; zwammen; zwetsen; kletspraat verkopen; zeveren
    • lullen werkwoord (lul, lult, lulde, lulden, geluld)
    • zwammen werkwoord (zwam, zwamt, zwamde, zwamden, gezwamd)
    • zwetsen werkwoord (zwets, zwetst, zwetste, zwetsten, gezwetst)
    • zeveren werkwoord (zever, zevert, zeverde, zeverden, gezeverd)

Conjugations for jaw:

present
  1. jaw
  2. jaw
  3. jaws
  4. jaw
  5. jaw
  6. jaw
simple past
  1. jawed
  2. jawed
  3. jawed
  4. jawed
  5. jawed
  6. jawed
present perfect
  1. have jawed
  2. have jawed
  3. has jawed
  4. have jawed
  5. have jawed
  6. have jawed
past continuous
  1. was jawing
  2. were jawing
  3. was jawing
  4. were jawing
  5. were jawing
  6. were jawing
future
  1. shall jaw
  2. will jaw
  3. will jaw
  4. shall jaw
  5. will jaw
  6. will jaw
continuous present
  1. am jawing
  2. are jawing
  3. is jawing
  4. are jawing
  5. are jawing
  6. are jawing
subjunctive
  1. be jawed
  2. be jawed
  3. be jawed
  4. be jawed
  5. be jawed
  6. be jawed
diverse
  1. jaw!
  2. let's jaw!
  3. jawed
  4. jawing
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Verwante woorden van "jaw":


Synoniemen voor "jaw":


Verwante definities voor "jaw":

  1. holding device consisting of one or both of the opposing parts of a tool that close to hold an object1
  2. the part of the skull of a vertebrate that frames the mouth and holds the teeth1
  3. the bones of the skull that frame the mouth and serve to open it; the bones that hold the teeth1
  4. censure severely or angrily1
  5. talk incessantly and tiresomely1
  6. chew (food); to bite and grind with the teeth1
    • He jawed his bubble gum1

Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van jaw



Remove Ads

Remove Ads