Remove Ads

Nederlands

Uitgebreide vertaling voor fokken (Nederlands) in het Spaans

fokken:

fokken werkwoord (fok, fokt, fokte, fokten, gefokt)

  1. fokken (kweken; opfokken)
    parir
  2. fokken (telen; kweken; voortbrengen; )
    cultivar; generar; criar; plantar; fomentar; originar; engendrar

Conjugations for fokken:

o.t.t.
  1. fok
  2. fokt
  3. fokt
  4. fokken
  5. fokken
  6. fokken
o.v.t.
  1. fokte
  2. fokte
  3. fokte
  4. fokten
  5. fokten
  6. fokten
v.t.t.
  1. heb gefokt
  2. hebt gefokt
  3. heeft gefokt
  4. hebben gefokt
  5. hebben gefokt
  6. hebben gefokt
v.v.t.
  1. had gefokt
  2. had gefokt
  3. had gefokt
  4. hadden gefokt
  5. hadden gefokt
  6. hadden gefokt
o.t.t.t.
  1. zal fokken
  2. zult fokken
  3. zal fokken
  4. zullen fokken
  5. zullen fokken
  6. zullen fokken
o.v.t.t.
  1. zou fokken
  2. zou fokken
  3. zou fokken
  4. zouden fokken
  5. zouden fokken
  6. zouden fokken
en verder
  1. is gefokt
  2. zijn gefokt
diversen
  1. fok!
  2. fokt!
  3. gefokt
  4. fokkend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze

fokken [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het fokken (doen voorttelen; aankweken)
    el cultivo
    • cultivo [el ~] zelfstandig naamwoord

Verwante woorden van "fokken":


fokken vorm van fok:

fok [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de fok (teelt; reproductie; voortplanting; )
    la cría; la producción; el cultivo
  2. de fok (veefokkerij; teelt; fokkerij; )
    la ganadería

Verwante woorden van "fok":


Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van fokken



Remove Ads

Remove Ads