Overzicht
Nederlands naar Engels:   Meer gegevens...
  1. geïsoleerd:
  2. isoleren:
  3. Wiktionary:
  4. Gebruikers suggesties voor geïsoleerd:
    • insulated


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor geïsoleerd (Nederlands) in het Engels

geïsoleerd:

geïsoleerd bijvoeglijk naamwoord

  1. geïsoleerd (vrijstaand; alleenstaand; apart; )
    separate; free-standing; on its own; isolated

Vertaal Matrix voor geïsoleerd:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
separate afscheiden; afsplitsen; afzonderen; apart zetten; delen; hakken; in stukken hakken; isoleren; loskoppelen; opdelen; opsplitsen; scheiden; separeren; splitsen; uit elkaar gaan; uit elkaar halen; uiteengaan; uiteenhalen; uitsplitsen; van elkaar gaan
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
isolated afzonderlijk; alleenstaand; apart; geïsoleerd; losstaand; op zich; op zichzelf staand; separaat; vrijstaand afgezonderd; afzonderlijk; alleenstaand; apart; bijzonder; desolaat; eenzaam; enig; enig in zijn soort; gescheiden; in quarantaine; losstaand; onvergelijkbaar; onvergelijkelijk; op zich; op zichzelf staand; separaat; uniek; verlaten; vrijstaand
separate afzonderlijk; alleenstaand; apart; geïsoleerd; losstaand; op zich; op zichzelf staand; separaat; vrijstaand afzonderlijk; alleenstaand; apart; besloten; bijzonder; enig; enig in zijn soort; gescheiden; los van elkaar; losstaand; onvergelijkbaar; onvergelijkelijk; op zich; op zichzelf staand; privé; separaat; uniek; vrijstaand
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
free-standing afzonderlijk; alleenstaand; apart; geïsoleerd; losstaand; op zich; op zichzelf staand; separaat; vrijstaand afzonderlijk; alleenstaand; apart; gescheiden; losstaand; op zich; op zichzelf staand; separaat; vrijstaand
on its own afzonderlijk; alleenstaand; apart; geïsoleerd; losstaand; op zich; op zichzelf staand; separaat; vrijstaand afzonderlijk; alleenstaand; apart; bijzonder; enig; enig in zijn soort; gescheiden; losstaand; onvergelijkbaar; onvergelijkelijk; op zich; op zichzelf staand; separaat; uniek; vrijstaand

Verwante woorden van "geïsoleerd":

  • geïsoleerdheid, geïsoleerde

Wiktionary: geïsoleerd

geïsoleerd
adjective
  1. in isolation

Cross Translation:
FromToVia
geïsoleerd isolated isolé — Qui séparer de choses de même nature ou d’une autre nature.

isoleren:

isoleren werkwoord (isoleer, isoleert, isoleerde, isoleerden, geïsoleerd)

  1. isoleren (afzijdig stellen)
    to isolate
    • isolate werkwoord (isolates, isolated, isolating)
  2. isoleren (gevangen zetten; opsluiten; interneren)
    to detain
    • detain werkwoord (detains, detained, detaining)
  3. isoleren (afzonderen; afscheiden; afsplitsen)
    to dissociate from; to separate; to isolate; to place apart
    • dissociate from werkwoord (dissociates from, dissociated from, dissociating from)
    • separate werkwoord (separates, separated, separating)
    • isolate werkwoord (isolates, isolated, isolating)
    • place apart werkwoord (places apart, placed apart, placing apart)
  4. isoleren (apart zetten; afzonderen)
    to seclude; to separate; to set apart
    • seclude werkwoord (secludes, secluded, secluding)
    • separate werkwoord (separates, separated, separating)
    • set apart werkwoord (sets apart, set apart, setting apart)
  5. isoleren (koudebestendig maken)
    to isolate; to make cold-resistant
    • isolate werkwoord (isolates, isolated, isolating)
    • make cold-resistant werkwoord (makes cold-resistant, made cold-resistant, making cold-resistant)

Conjugations for isoleren:

o.t.t.
  1. isoleer
  2. isoleert
  3. isoleert
  4. isoleren
  5. isoleren
  6. isoleren
o.v.t.
  1. isoleerde
  2. isoleerde
  3. isoleerde
  4. isoleerden
  5. isoleerden
  6. isoleerden
v.t.t.
  1. heb geïsoleerd
  2. hebt geïsoleerd
  3. heeft geïsoleerd
  4. hebben geïsoleerd
  5. hebben geïsoleerd
  6. hebben geïsoleerd
v.v.t.
  1. had geïsoleerd
  2. had geïsoleerd
  3. had geïsoleerd
  4. hadden geïsoleerd
  5. hadden geïsoleerd
  6. hadden geïsoleerd
o.t.t.t.
  1. zal isoleren
  2. zult isoleren
  3. zal isoleren
  4. zullen isoleren
  5. zullen isoleren
  6. zullen isoleren
o.v.t.t.
  1. zou isoleren
  2. zou isoleren
  3. zou isoleren
  4. zouden isoleren
  5. zouden isoleren
  6. zouden isoleren
en verder
  1. ben geïsoleerd
  2. bent geïsoleerd
  3. is geïsoleerd
  4. zijn geïsoleerd
  5. zijn geïsoleerd
  6. zijn geïsoleerd
diversen
  1. isoleer!
  2. isoleert!
  3. geïsoleerd
  4. isolerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor isoleren:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
detain gevangen zetten; interneren; isoleren; opsluiten aanhouden; arresteren; detineren; gevangen houden; gevangenhouden; gevangennemen; in de cel zetten; in hechtenis houden; inrekenen; oppakken; opsluiten; vasthouden; vastzetten
dissociate from afscheiden; afsplitsen; afzonderen; isoleren
isolate afscheiden; afsplitsen; afzijdig stellen; afzonderen; isoleren; koudebestendig maken afdichten; dichten
make cold-resistant isoleren; koudebestendig maken afdichten; dichten
place apart afscheiden; afsplitsen; afzonderen; isoleren uit elkaar plaatsen; uiteenplaatsen; uiteenzetten
seclude afzonderen; apart zetten; isoleren
separate afscheiden; afsplitsen; afzonderen; apart zetten; isoleren afscheiden; afsplitsen; afzonderen; delen; hakken; in stukken hakken; loskoppelen; opdelen; opsplitsen; scheiden; separeren; splitsen; uit elkaar gaan; uit elkaar halen; uiteengaan; uiteenhalen; uitsplitsen; van elkaar gaan
set apart afzonderen; apart zetten; isoleren
- afzonderen
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
separate afzonderlijk; alleenstaand; apart; besloten; bijzonder; enig; enig in zijn soort; gescheiden; geïsoleerd; los van elkaar; losstaand; onvergelijkbaar; onvergelijkelijk; op zich; op zichzelf staand; privé; separaat; uniek; vrijstaand

Synoniemen voor "isoleren":


Verwante definities voor "isoleren":

  1. iemand of iets apart houden1
    • dat eiland is erg geïsoleerd1
  2. het bedekken zodat er geen warmte, kou, geluid etc. door kan1
    • zijn de muren van dit huis wel geïsoleerd?1

Wiktionary: isoleren

isoleren
verb
  1. persoonlijk
  2. chemisch
  3. elektrisch
  4. warmte
isoleren
verb
  1. transitive, microbiology: to separate a pure strain of bacteria etc. from a mixed culture
  2. transitive: to insulate an electrical component from a source of electricity
  3. transitive: to place in quarantine or isolation
  4. transitive: to insulate, or make free of external influence
  5. transitive: to set apart or cut off from others
  6. isolate
  7. put in isolation as if by quarantine

Cross Translation:
FromToVia
isoleren insulate isolieren — etwas oder jemanden von seiner Umgebung abtrennen
isoleren isolate isolieren — ein Teil von einer Menge trennen
isoleren isolate isolieren — ein Argument oder einen Standpunkt für sich allein betrachten
isoleren insulate; isolate; seclude isolerséparer un lieu ou un objet de ce qui l’entoure.