Engels

Uitgebreide vertaling voor achievable (Engels) in het Nederlands

achievable:

achievable bijvoeglijk naamwoord

  1. achievable (attainable; feasible; realizable; within reach)
    realiseerbaar; haalbaar; verwezenlijkbaar; te doen
  2. achievable (accessible; within reach; driveable; realizable)
    bereikbaar; toegankelijk; begaanbaar

Vertaal Matrix voor achievable:

Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
begaanbaar accessible; achievable; driveable; realizable; within reach
bereikbaar accessible; achievable; driveable; realizable; within reach
haalbaar achievable; attainable; feasible; realizable; within reach
realiseerbaar achievable; attainable; feasible; realizable; within reach
toegankelijk accessible; achievable; driveable; realizable; within reach accessible; amenable; approachable; complaisant; forward; frank; graciously; obliging; open; pliable; pliant; responsive
- accomplishable; doable; manageable; realizable
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
te doen achievable; attainable; feasible; realizable; within reach
verwezenlijkbaar achievable; attainable; feasible; realizable; within reach

Verwante woorden van "achievable":


Synoniemen voor "achievable":


Verwante definities voor "achievable":

  1. capable of existing or taking place or proving true; possible to do1

Wiktionary: achievable

achievable
adjective
  1. capable of being achieved
achievable
adjective
  1. mogelijk om bereikt of verwezenlijkt te worden
  2. of iets naar eigen wens (of ideologie) kan worden ingericht, vervaardigd of gevormd
  3. mogelijk om uitgevoerd te worden

Cross Translation:
FromToVia
achievable bereikbaar réussissable — Possible, faisable, qui peut être réussi

achieve:

to achieve werkwoord (achieves, achieved, achieving)

  1. to achieve (achieve something; perform; succeed)
    presteren; een prestatie leveren
  2. to achieve (accomplish; bring about; attain)
    – to gain with effort 1
    totstandbrengen
    • totstandbrengen werkwoord (breng totstand, brengt totstand, bracht totstand, brachten totstand, totstandgebracht)

Conjugations for achieve:

present
  1. achieve
  2. achieve
  3. achieves
  4. achieve
  5. achieve
  6. achieve
simple past
  1. achieved
  2. achieved
  3. achieved
  4. achieved
  5. achieved
  6. achieved
present perfect
  1. have achieved
  2. have achieved
  3. has achieved
  4. have achieved
  5. have achieved
  6. have achieved
past continuous
  1. was achieving
  2. were achieving
  3. was achieving
  4. were achieving
  5. were achieving
  6. were achieving
future
  1. shall achieve
  2. will achieve
  3. will achieve
  4. shall achieve
  5. will achieve
  6. will achieve
continuous present
  1. am achieving
  2. are achieving
  3. is achieving
  4. are achieving
  5. are achieving
  6. are achieving
subjunctive
  1. be achieved
  2. be achieved
  3. be achieved
  4. be achieved
  5. be achieved
  6. be achieved
diverse
  1. achieve!
  2. let's achieve!
  3. achieved
  4. achieving
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Vertaal Matrix voor achieve:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
een prestatie leveren achieve; achieve something; perform; succeed
presteren achieve; achieve something; perform; succeed
totstandbrengen accomplish; achieve; attain; bring about
- accomplish; attain; reach
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- accomplish; attain; perform

Verwante woorden van "achieve":


Synoniemen voor "achieve":


Verwante definities voor "achieve":

  1. to gain with effort1
    • she achieved her goal despite setbacks1

Wiktionary: achieve

achieve
verb
  1. to obtain, or gain as the result of exertion
  2. to carry out successfully; to accomplish
achieve
verb
  1. een bepaald doel verwezenlijken

Cross Translation:
FromToVia
achieve ontvangen erhalten — (transitiv) etwas bekommen
achieve bereiken erreichen — zu einem Ziel gelangen; seine Wünsche durchsetzen
achieve bereiken; behalen erzielen — etwas anvisiert (Angestrebtes) erreichen
achieve resulteren; uitkomen; volgen; voortkomen; voortspruiten; voortvloeien; belenden; grenzen aan; besturen; brengen; leiden; geleiden; voeren; uitgaan; uitlopen; uitstappen; uitstijgen; uittreden; bereiken; behalen; inhalen; reiken tot; leiden tot; uitdraaien op; uitlopen op aboutirtoucher par un bout.
achieve nakomen; naleven; uitvoeren; verrichten; vervullen; voltrekken accomplirachever entièrement.
achieve halen; inslaan; raken; teisteren; treffen; bereiken; behalen; inhalen; reiken tot atteindretoucher de loin au moyen d’un projectile.
achieve klaren; volbrengen; voltooien confectionnerexécuter jusqu’à complet achèvement.
achieve halen; inslaan; raken; teisteren; treffen; doorkomen; klaarspelen; slagen; slagen voor; bereiken; behalen; inhalen; reiken tot parvenir — Arriver à un point donné à la suite d’un déplacement. (Sens général)
achieve bewerkstelligen; realiseren; verwerkelijken; uitvoeren; nakomen; naleven; verrichten; vervullen; voltrekken; doorvoeren; tot stand brengen; verwezenlijken réaliser — construire