Engels

Uitgebreide vertaling voor bungler (Engels) in het Nederlands

bungler:

bungler [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the bungler (fly-by-night)
    de prutser; de beunhaas; de knoeier
    • prutser [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • beunhaas [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • knoeier [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  2. the bungler (botcher)
    de beunhaas; de koekenbakker
  3. the bungler (botcher)
    de knoeipot; morser
    • knoeipot [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • morser [znw.] zelfstandig naamwoord
  4. the bungler (muddler; sad sack)
    de kruk; de klungelaar; de klungel; de stumper; de stoethaspel
    • kruk [de ~] zelfstandig naamwoord
    • klungelaar [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • klungel [de ~] zelfstandig naamwoord
    • stumper [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • stoethaspel [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  5. the bungler (muddler; sad sack)
    de roffelaar
  6. the bungler (poor thing; poor devil; poor wretch)
    de sukkel; de stakker; de stumper; de zielenpiet
    • sukkel [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • stakker [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • stumper [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • zielenpiet [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  7. the bungler (muddler)
    de koekenbakker; koekhakker; de knoeier
  8. the bungler (poor soul; wretch; duffer; )
    de drommel; de zielenpiet; de stakker; de stumper
    • drommel [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • zielenpiet [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • stakker [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • stumper [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor bungler:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
beunhaas botcher; bungler; fly-by-night
drommel bungler; duffer; poor devil; poor sod; poor soul; poor thing; wretch
klungel bungler; muddler; sad sack
klungelaar bungler; muddler; sad sack
knoeier bungler; fly-by-night; muddler blotter; broddler; dauber
knoeipot botcher; bungler
koekenbakker botcher; bungler; muddler
koekhakker bungler; muddler
kruk bungler; muddler; sad sack crank; door handle; door-latch; footstool; handle; pump handle; stool; taboret; tabouret
morser botcher; bungler
prutser bungler; fly-by-night
roffelaar bungler; muddler; sad sack
stakker bungler; duffer; poor devil; poor sod; poor soul; poor thing; poor wretch; wretch
stoethaspel bungler; muddler; sad sack
stumper bungler; duffer; muddler; poor devil; poor sod; poor soul; poor thing; poor wretch; sad sack; wretch
sukkel bungler; poor devil; poor thing; poor wretch Simple Simon; birdbrain; blockhead; dawdler; dolt; drip; duffer; dunce; fat head; fathead; feather head; fool; idiot; laggard; loiterer; meathead; nerd; nitwit; numbskull; oaf; rattle brain; rattle-brain; schlemiel; simpleton; slowcoach; slowpoke; snail; stupid; wet
zielenpiet bungler; duffer; poor devil; poor sod; poor soul; poor thing; poor wretch; wretch
- blunderer; botcher; bumbler; butcher; fuckup; fumbler; sad sack; stumbler

Verwante woorden van "bungler":


Synoniemen voor "bungler":


Verwante definities voor "bungler":

  1. someone who makes mistakes because of incompetence1

Wiktionary: bungler

bungler
noun
  1. one who makes mistakes
bungler
noun
  1. een onhandig persoon

bungle:

to bungle werkwoord (bungles, bungled, bungling)

  1. to bungle
    knoeien; klunzen; klungelen; prutsen; stuntelen
    • knoeien werkwoord (knoei, knoeit, knoeide, knoeiden, geknoeid)
    • klunzen werkwoord (kluns, klunst, klunsde, klunsden, geklunsd)
    • klungelen werkwoord (klungel, klungelt, klungelde, klungelden, geklungeld)
    • prutsen werkwoord (pruts, prutst, prutste, prutsten, geprutst)
    • stuntelen werkwoord (stuntel, stuntelt, stuntelde, stuntelden, gestunteld)
  2. to bungle (tinker)
    verwarren; haspelen; tot een warboel maken
  3. to bungle (tinker)
    verprutsen
    • verprutsen werkwoord (verpruts, verprutst, verprutste, verprutsten, verprutst)
  4. to bungle (botch)
    broddelen; prutsen
    • broddelen werkwoord (broddel, broddelt, broddelde, broddelden, gebroddeld)
    • prutsen werkwoord (pruts, prutst, prutste, prutsten, geprutst)
  5. to bungle (mess; muck up)
    rotzooien; klooien; aanklooien
    • rotzooien werkwoord (rotzooi, rotzooit, rotzooide, rotzooiden, gerotzooid)
    • klooien werkwoord (klooi, klooit, klooide, klooiden, geklooid)
    • aanklooien werkwoord

Conjugations for bungle:

present
  1. bungle
  2. bungle
  3. bungles
  4. bungle
  5. bungle
  6. bungle
simple past
  1. bungled
  2. bungled
  3. bungled
  4. bungled
  5. bungled
  6. bungled
present perfect
  1. have bungled
  2. have bungled
  3. has bungled
  4. have bungled
  5. have bungled
  6. have bungled
past continuous
  1. was bungling
  2. were bungling
  3. was bungling
  4. were bungling
  5. were bungling
  6. were bungling
future
  1. shall bungle
  2. will bungle
  3. will bungle
  4. shall bungle
  5. will bungle
  6. will bungle
continuous present
  1. am bungling
  2. are bungling
  3. is bungling
  4. are bungling
  5. are bungling
  6. are bungling
subjunctive
  1. be bungled
  2. be bungled
  3. be bungled
  4. be bungled
  5. be bungled
  6. be bungled
diverse
  1. bungle!
  2. let's bungle!
  3. bungled
  4. bungling
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

bungle [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the bungle (confused heap; mess; jumble; )
    de knoeiboel; de rommel; de warboel; het zootje; de warhoop; de troep; de warwinkel
    • knoeiboel [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • rommel [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • warboel [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • zootje [het ~] zelfstandig naamwoord
    • warhoop [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • troep [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • warwinkel [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  2. the bungle (botch job; shoddy work; bungling; bungling work)
    het kladwerk; het knutselwerk; het prutswerk; het broddelwerk; het knoeiwerk

Vertaal Matrix voor bungle:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
broddelwerk botch job; bungle; bungling; bungling work; shoddy work
kladwerk botch job; bungle; bungling; bungling work; shoddy work draft; rough draft; rough work
knoeiboel bungle; bungling; confused heap; heap; jumble; mess; muddle
knoeiwerk botch job; bungle; bungling; bungling work; shoddy work
knutselwerk botch job; bungle; bungling; bungling work; shoddy work fiddling; niggling; pottering; tinkering
prutswerk botch job; bungle; bungling; bungling work; shoddy work
rommel bungle; bungling; confused heap; heap; jumble; mess; muddle chaos; debris; garbage; household refuse; junk; mess; rubbish; trash
troep bungle; bungling; confused heap; heap; jumble; mess; muddle accumulation; assembling; bunch; caboodle; chaos; clutter; collection; common herd; crowd; debris; drove; flock; gang; gathering; group; herd; horde; mayhem; mess; mob; multitude; party; rubbish; set; trash
warboel bungle; bungling; confused heap; heap; jumble; mess; muddle labyrinth; maze
warhoop bungle; bungling; confused heap; heap; jumble; mess; muddle
warwinkel bungle; bungling; confused heap; heap; jumble; mess; muddle
zootje bungle; bungling; confused heap; heap; jumble; mess; muddle chaos; confusion; debris; disorder; maze; mess; mix-up; muddle; tangle; trouble; welter
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanklooien bungle; mess; muck up
broddelen botch; bungle
haspelen bungle; tinker reel; reel in; wind; wind up
klooien bungle; mess; muck up
klungelen bungle
klunzen bungle
knoeien bungle fool about; fool around; mess; mess about; mess around; slop; spill
prutsen botch; bungle mess about; mess around; muddle; muddle on; potter; tinker
rotzooien bungle; mess; muck up fool about; fool around; mess about; mess around
stuntelen bungle
tot een warboel maken bungle; tinker
verprutsen bungle; tinker
verwarren bungle; tinker unnerve someone; unsettle someone; upset someone
- ball up; blow; bodge; bollix; bollix up; bollocks; bollocks up; botch; botch up; bumble; flub; fluff; fumble; muck up; muff; screw up; spoil

Verwante woorden van "bungle":


Synoniemen voor "bungle":


Verwante definities voor "bungle":

  1. spoil by behaving clumsily or foolishly1
    • I bungled it!1
  2. make a mess of, destroy or ruin1

Wiktionary: bungle


Cross Translation:
FromToVia
bungle knoeiwerk; knoeiboel; knoeierij; prutswerk Murksumgangssprachlich: Arbeit mit schlechtem, fehlerhaftem oder unordentlichem Ergebnis
bungle aanlengen; aanaarden; beunhazen; knoeien; modderen; verhaspelen; verknoeien; verprutsen gâcher — maçonnerie|fr délayer du plâtre, du mortier avec de l’eau.