Nederlands

Uitgebreide vertaling voor blik (Nederlands) in het Frans

blik:

blik [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de blik (opbergblik; bus; blikje; trommel)
    la boîte; la boîte en fer-blanc; la petite boîte
  2. de blik (conservenblik)
    la boîte de conserve
  3. de blik (metaal; tin)
    le métal; la petite boîte; la boîte de conserves
  4. de blik (oogopslag)
    la vision; la vue; le coup d'oeil
    • vision [la ~] zelfstandig naamwoord
    • vue [la ~] zelfstandig naamwoord
    • coup d'oeil [le ~] zelfstandig naamwoord

blik [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het blik (dun metaal)
    le fer-blanc

Vertaal Matrix voor blik:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
boîte blik; blikje; bus; opbergblik; trommel bajes; bak; box; buitenkant; doos; emballage; gevangenis; huls; kistje; kratje; lik; nor; omhulsel; omkleedsel; omwindsel; opbergruimte; pakje; pakket; petoet; postpakket; spinhuis; strafgevangenis; strafinrichting; strafplaats; verpakking
boîte de conserve blik; conservenblik
boîte de conserves blik; metaal; tin
boîte en fer-blanc blik; blikje; bus; opbergblik; trommel
coup d'oeil blik; oogopslag kijkje
fer-blanc blik; dun metaal
métal blik; metaal; tin metaal
petite boîte blik; blikje; bus; metaal; opbergblik; tin; trommel doosje; kleine opbergdoos; schede; vagina
vision blik; oogopslag aanblik; aangezicht; anamorfose; begrip; benul; beschouwing; chimère; denkbeeld; drogbeeld; droombeeld; geest; geestverschijning; gelaat; gezicht; gezichtspunt; hallucinatie; hersenschim; idee; illusie; interpretatie; inzicht; kijk; lezing; mening; mentale voorstelling; oordeel; opinie; opvatting; panorama; prospect; schim; spook; spookbeeld; spookverschijning; standpunt; uitzicht; vergezicht; verschijning; visie; visioen; vue; zicht; zienswijze; zinsbegoocheling
vue blik; oogopslag aanblik; aangezicht; aanzicht; doorkijk; doorzicht; foto; gelaat; gezicht; gezichtsbeeld; gezichtsvermogen; goed werkend oog; inzicht; kiek; kijk; panorama; prospect; scherpziendheid; schouwspel; spektakel; uitzicht; vergezicht; verreikend uitzicht; vue; zicht
Not SpecifiedVerwante vertalingenAndere vertalingen
vue weergave

Verwante woorden van "blik":


Verwante definities voor "blik":

  1. bord om vuil op te vegen1
    • ik veeg de scherven op met stoffer en blik1
  2. geplet staal met laagje tin1
    • we eten appelmoes uit blik1
  3. het kijken1
    • hij wierp een blik in huis1
  4. manier van kijken1
    • met een boze blik keek hij me aan1

Wiktionary: blik

blik
noun
  1. een cilindervormig afgesloten blikken vaatje
blik
noun
  1. tôle de fer recouvrir d’étain pour protéger de la rouille avec laquelle on fabrique des ustensiles courants, les boîtes de conserve, etc.
  2. outil constituer d’une plaque mince, généralement en métal, avec ou sans rebords et souvent courbe et dont l’extrémité peut être plus ou moins arrondie, muni d’un manche en bois plus ou moins long. Cet outil est utiliser pour [[déplace

Cross Translation:
FromToVia
blik arrosoir can — a container used to carry and dispense water for plants
blik strabisme cast — squint
blik regard look — facial expression
blik boite de conserve tin — airtight container
blik regard Blick — (kurzes) Betrachten; Anschauen; das Erfassen von etwas mit den Augen
blik boîte Dose — kleiner Behälter mit Deckel
blik jerrican; bidon Kanister — verschließbarer Behälter, meist aus Blech, Plastik, der zum Transport und Aufbewahren von Flüssigkeiten (Wasser, Öl, Treibstoff) benutzt wird
blik boite de conserve blik — een cilindervormig afgesloten blikken vaatje

blik vorm van blikken:

blikken [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.

  1. de blikken (oogopslagen)
    le regards
    • regards [le ~] zelfstandig naamwoord

blikken werkwoord (blik, blikt, blikte, blikten, geblikt)

  1. blikken (blikken werpen)
    voir; regarder; jeter un regard; examiner; observer
    • voir werkwoord (vois, voit, voyons, voyez, )
    • regarder werkwoord (regarde, regardes, regardons, regardez, )
    • jeter un regard werkwoord
    • examiner werkwoord (examine, examines, examinons, examinez, )
    • observer werkwoord (observe, observes, observons, observez, )

Conjugations for blikken:

o.t.t.
  1. blik
  2. blikt
  3. blikt
  4. blikken
  5. blikken
  6. blikken
o.v.t.
  1. blikte
  2. blikte
  3. blikte
  4. blikten
  5. blikten
  6. blikten
v.t.t.
  1. heb geblikt
  2. hebt geblikt
  3. heeft geblikt
  4. hebben geblikt
  5. hebben geblikt
  6. hebben geblikt
v.v.t.
  1. had geblikt
  2. had geblikt
  3. had geblikt
  4. hadden geblikt
  5. hadden geblikt
  6. hadden geblikt
o.t.t.t.
  1. zal blikken
  2. zult blikken
  3. zal blikken
  4. zullen blikken
  5. zullen blikken
  6. zullen blikken
o.v.t.t.
  1. zou blikken
  2. zou blikken
  3. zou blikken
  4. zouden blikken
  5. zouden blikken
  6. zouden blikken
diversen
  1. blik!
  2. blikt!
  3. geblikt
  4. blikkend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor blikken:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
examiner bezichtigen; bezichtiging
regards blikken; oogopslagen bekijks
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
examiner blikken; blikken werpen aankijken; aanschouwen; aftasten; afwegen; bekijken; beproeven; beschouwen; bezichtigen; bezien; checken; controleren; doordenken; doorvorsen; examineren; gadeslaan; inkijken; inspecteren; inzien; keuren; monsteren; monsters nemen; nagaan; nakijken; naspeuren; naspeuring doen; nasporen; natrekken; onderzoeken; overdenken; overhoren; overwegen; rechercheren; schouwen; snuffelen; speuren; testen; toeschouwen; toetsen; verifiëren; verkennen
jeter un regard blikken; blikken werpen aanblikken; aankijken; aanzien
observer blikken; blikken werpen aankijken; aanschouwen; achten; bekijken; bemerken; bespeuren; bewaken; bezichtigen; eerbiedigen; gadeslaan; gewaarworden; hoogachten; hoogschatten; horen; in de gaten houden; in het oog houden; inspecteren; kijken; merken; nakomen; observeren; onderscheiden; ontwaren; opletten; opmerken; patrouilleren; respecteren; signaleren; staren; surveilleren; te zien krijgen; toekijken; toeschouwen; toezicht houden; toezien; turen; voelen; waarnemen; zien
regarder blikken; blikken werpen aanblikken; aangaan; aankijken; aanschouwen; aanzien; bekijken; betreffen; bezichtigen; bezien; gadeslaan; in de gaten houden; in het oog houden; inkijken; inspecteren; inzien; kijken; kijken naar; onderscheiden; ontwaren; opletten; opmerken; raken; schouwen; slaan op; staren; toekijken; toeschouwen; toezien; turen; zien
voir blikken; blikken werpen aankijken; aanschouwen; begrijpen; bekijken; bemerken; beseffen; bespeuren; bezichtigen; doornemen; doorzien; gadeslaan; gewaarworden; horen; inspecteren; inzien; kijken; merken; met het verstand vatten; observeren; onderkennen; onderscheiden; ontwaren; opmerken; realiseren; signaleren; snappen; staren; te zien krijgen; toeschouwen; turen; voelen; waarnemen; zien

Verwante woorden van "blikken":


Wiktionary: blikken


Verwante vertalingen van blik