Overzicht
Nederlands naar Spaans:   Meer gegevens...
  1. hoogheid:
  2. hoog:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor hoogheid (Nederlands) in het Spaans

hoogheid:

hoogheid [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord

  1. de hoogheid (eminentie; grootheid; verhevenheid; )
    la nobleza; la alteza; la eminencia
    • nobleza [la ~] zelfstandig naamwoord
    • alteza [la ~] zelfstandig naamwoord
    • eminencia [la ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor hoogheid:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
alteza aanzien; edel; eminentie; grootheid; hoogheid; verheffing; verhevenheid doorluchtigheid
eminencia aanzien; edel; eminentie; grootheid; hoogheid; verheffing; verhevenheid hoogwaardigheid
nobleza aanzien; edel; eminentie; grootheid; hoogheid; verheffing; verhevenheid adel; adeldom; adelstand; buil; bult; edelen; kneuswond; kneuzing; letsel

Verwante woorden van "hoogheid":


Wiktionary: hoogheid

hoogheid
noun
  1. aanzien, grootheid, majesteit

Cross Translation:
FromToVia
hoogheid Alteza Hoheit — Anrede für Adlige, in der Regel Herzöge

hoogheid vorm van hoog:

hoog bijvoeglijk naamwoord

  1. hoog (hooggelegen)
    alto; situado en lo alto
  2. hoog (schel; scherp; schril; hard; snerpend)
    agudo; fuerte; penetrante

Vertaal Matrix voor hoog:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
alto halt
fuerte citadel; deurslot; kasteel; ridderkasteel; ridderslot; slot; sterke kant; sterke zijde
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
alto ho
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
agudo hard; hoog; schel; scherp; schril; snerpend acuut; adrem; behendig; beklemmend; bekwaam; bijdehand; bitter teleurgesteld; clever; doordringend; felle; gevat; handig; indringend; intelligent; intens; intensief; kien; knellend; kundig; met een scherp oog; nauwlettend; nijpend; pienter; puntig; raak; schel klinkend; scherp; scherp gepunt; scherpklinkend; scherpzinnig; schrander; slim; smartelijk; snedig; snugger; spits; uitgekookt; uitgeslapen; vaardig; verbitterd; vlijmend; vlijmscherp
alto hoog; hooggelegen breed; enorm; fors; groot; hard; hardop; heel erg; hoog gegroeid; hoog gerezen; in zeer hoge mate; lang; luid; luid klinkend; luidkeels; reuze; uit de kluiten gewassen; uit volle borst
fuerte hard; hoog; schel; scherp; schril; snerpend bitter teleurgesteld; blijvend; breed; dapper; degelijke; doordringend; duurzaam; duurzame; felle; ferm; fiks; flink; fors; fysiek sterk; grimmig; hard; hardop; heldhaftig; heroïsch; indringend; intens; intensief; keihard; kloek; krachtig; luid; massief; met een krachtige uitwerking; met hoge snelheid; moedig; moreel sterk; onderdrukt; onverschrokken; opgekropt; pittig; potig; robuust; schel klinkend; scherp; solide; sterk; stevig; stevig gebouwd; stout; stoutmoedig; straf; struis; uit de kluiten gewassen; verbeten; verbitterd; verkropt; zwaar; zwaargebouwd
penetrante hard; hoog; schel; scherp; schril; snerpend beklemmend; bijtende; doordringend; indringend; indringende; indringerig; knellend; nijpend; op afgebeten toon; penetrant; schel klinkend; scherp; schril; smartelijk; snijdend; stekend; vlijmend; vlijmscherp
situado en lo alto hoog; hooggelegen

Verwante woorden van "hoog":


Antoniemen van "hoog":


Verwante definities voor "hoog":

  1. behoorlijk ver van de grond1
    • de doelman maakte een hoge sprong1
  2. met een grote waarde1
    • ze vragen een hoge prijs voor dit huis1
  3. scherp, licht en helder1
    • ze heeft een hoge stem1
  4. ver in rang of volgorde1
    • de hogere klassen hebben vrij1

Wiktionary: hoog

hoog
adjective
  1. 2, 3, 4

Cross Translation:
FromToVia
hoog elevado; alto high — elevated
hoog alto high — tall, lofty
hoog agudo sharp — musically higher-pitched than desired
hoog alto tall — of a building
hoog alto hochsozial: vornehm, im Rang weit oben stehend
hoog alto hochakustische Wahrnehmung: mit großer Schwingungszahl
hoog alto hochgroß in der Ausdehnung nach oben; eine bestimmte Höhe aufweisend
hoog alto hoch — weit oben befindlich