Overzicht
Engels naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. active:
  2. act:
  3. Wiktionary:
  4. Gebruikers suggesties voor active:
    • actieve


Engels

Uitgebreide vertaling voor active (Engels) in het Nederlands

active:

active bijvoeglijk naamwoord

  1. active (industrious; operative; working; )
    actief; bedrijvig; werkzaam; arbeidend; arbeidzaam; werkend; bezig
  2. active (industrious; busy; humming; )
    actief; bedrijvig; bezig; druk
  3. active (dynamic; lively; energetic)
    dynamisch; actief; energiek; beweeglijk; levendig
  4. active (industrious; hard-working)
    actief; bedrijvig; bezig; nijver
  5. active
    – Pertaining to the device, program, file, record or portion of the screen that is currently operational or subject to command operations. 1
    actief
    • actief bijvoeglijk naamwoord

active [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the active (active voice)
    het activum; bedrijvende vorm; actieve vorm

Vertaal Matrix voor active:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
actieve vorm active; active voice
activum active; active voice asset
bedrijvende vorm active; active voice
druk charges; circulation; compulsion; impression; pressure; print
- active agent; active voice
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
actief active; actively; at work; busily; busy; dynamic; energetic; hard-working; humming; industrious; industriously; laborious; lively; operative; working
arbeidzaam active; actively; at work; hard-working; industrious; industriously; laborious; operative; working diligent; hard working; industrious; laborious
bedrijvig active; actively; at work; busily; busy; hard-working; humming; industrious; industriously; laborious; operative; working
beweeglijk active; dynamic; energetic; lively
bezig active; actively; at work; busily; busy; hard-working; humming; industrious; industriously; laborious; operative; working
druk active; actively; busily; busy; hard-working; humming; industrious; industriously; operative; working animated; busily engaged; busy; engaged; occupied; tied up; up; vibrant
dynamisch active; dynamic; energetic; lively decisive; energetic; lively
energiek active; dynamic; energetic; lively decisive; energetic; full of energy; lively; spirited; vigorous
levendig active; dynamic; energetic; lively agile; agitated; amusing; animated; aroused; attentive; bright; brisk; buoyant; bustling; cheerful; clear; colorful; colourful; dependable; eager; eagre; enchanted; energetic; enthusiastic; excited; festive; fluttered; full of joy; funny; gay; happy; heated; high-spirited; jolly; joyful; joyous; lively; merry; mystified; neat; passionate; pleasant; reliable; safe; spell bound; spirited; sprightly; sunny; tidy; trusted; trustworthy; under enchantment; upbeat; vibrant; vigorous
nijver active; hard-working; industrious
werkend active; actively; at work; hard-working; industrious; industriously; laborious; operative; working
werkzaam active; actively; at work; hard-working; industrious; industriously; laborious; operative; working
- alive; combat-ready; dynamic; fighting; participating
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- energetic
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
arbeidend active; actively; at work; hard-working; industrious; industriously; laborious; operative; working

Verwante woorden van "active":


Synoniemen voor "active":


Antoniemen van "active":


Verwante definities voor "active":

  1. characterized by energetic activity2
    • an active toddler2
    • active as a gazelle2
    • an active man is a man of action2
  2. engaged in full-time work2
    • active duty2
    • though past retirement age he is still active in his profession2
  3. full of activity or engaged in continuous activity2
    • an active seaport2
    • an active bond market2
    • an active account2
  4. tending to become more severe or wider in scope2
    • active tuberculosis2
  5. disposed to take action or effectuate change2
    • a director who takes an active interest in corporate operations2
    • an active antagonism2
    • he was active in drawing attention to their grievances2
  6. (of e.g. volcanos) erupting or liable to erupt2
    • active volcanos2
  7. (of e.g. volcanos) capable of erupting2
  8. (used of verbs (e.g. `to run') and participial adjectives (e.g. `running' in `running water')) expressing action rather than a state of being2
  9. expressing that the subject of the sentence has the semantic function of actor:2
    • Hemingway favors active constructions2
  10. exerting influence or producing a change or effect2
    • an active ingredient2
  11. (of the sun) characterized by an increased occurrence of sunspots and flares and radio emissions2
  12. in operation2
    • an active tradition2
  13. taking part in an activity2
    • an active member of the club2
    • he was politically active2
  14. engaged in or ready for military or naval operations2
    • on active duty2
  15. a person who is a participating member of an organization2
    • the club issues a list of members, both the actives and the retirees2
  16. the voice used to indicate that the grammatical subject of the verb is performing the action or causing the happening denoted by the verb2
  17. chemical agent capable of activity2
  18. Pertaining to the device, program, file, record or portion of the screen that is currently operational or subject to command operations.1

Wiktionary: active

active
adjective
  1. having the quality or power of acting
active
adjective
  1. met iets bezig zijnde
  2. tot hard werken geneigd

Cross Translation:
FromToVia
active actief aktivumgangssprachlich: in einer bestimmten Hinsicht tätig, engagiert
active actief aktivPhysik: aktives Material: radioaktive Strahlen aussendend
active bezig rührig — geschäftig, von Unternehmergeist besessen
active bezig tätig — handelnd, etwas Praktisches tuend
active druk; levendig; kras; kwiek; opgewekt; rap; tierig; vief; wakker; actief; bedrijvend; werkdadig; werkend; werkzaam; bedrijvig actif — Qui agir ou qui a la vertu d’agir.
active actief; bedrijvend; werkdadig; werkend; werkzaam; bedrijvig agissant — Qui agir, qui se donner beaucoup de mouvement.
active ijverig; naarstig; nijver; vlijtig assidu — propre|fr (figuré) Qui fait preuve d’assiduité.
active actief; bedrijvend; werkdadig; werkend; werkzaam; bedrijvig; effectief; werkelijk; daadwerkelijk effectif — Qui est réellement et de fait, qui produit un résultat réel.
active moeilijk; moeitevol; moeizaam; zuur; zwaar; arbeidzaam; ijverig; nijver; vlijtig; werkzaam; naarstig laborieux — Qui travaille beaucoup, qui aime le travail.
active bijtend; doordringend; fel; guur; schel; scherp; schril; snerpend; levendig; druk; kras; kwiek; opgewekt; rap; tierig; vief; wakker vif — Qui est en vie.
active actief; bedrijvend; werkdadig; werkend; werkzaam; bedrijvig; drastisch énergique — Qui a de l’énergie.

act:

to act werkwoord (acts, acted, acting)

  1. to act (do; accomplish)
    doen; uitvoeren; verrichten; handelen; uitrichten
    • doen werkwoord (doe, doet, deed, deden, gedaan)
    • uitvoeren werkwoord (voer uit, voert uit, voerde uit, voerden uit, uitgevoerd)
    • verrichten werkwoord (verricht, verrichtte, verrichtten, verricht)
    • handelen werkwoord (handel, handelt, handelde, handelden, gehandeld)
    • uitrichten werkwoord (richt uit, richtte uit, richtten uit, uitgericht)
  2. to act (perform)
    performen; spelen; optreden
    • performen werkwoord
    • spelen werkwoord (speel, speelt, speelde, speelden, gespeeld)
    • optreden werkwoord (treed op, treedt op, trad op, traden op, opgetreden)
  3. to act (perform)
    acteren; toneelspelen
    • acteren werkwoord (acteer, acteert, acteerde, acteerden, geacteerd)
    • toneelspelen werkwoord (speel toneel, speelt toneel, speelde toneel, speelden toneel, toneelgespeeld)
  4. to act (pretend; play; play-act; )
    spelen; doen alsof; toneelspelen; zich aanstellen
    • spelen werkwoord (speel, speelt, speelde, speelden, gespeeld)
    • doen alsof werkwoord (doe alsof, doet alsof, deed alsof, deden alsof, alsof gedaan)
    • toneelspelen werkwoord (speel toneel, speelt toneel, speelde toneel, speelden toneel, toneelgespeeld)
    • zich aanstellen werkwoord
  5. to act (agitate; deal with; deal)
    handelen; ageren
    • handelen werkwoord (handel, handelt, handelde, handelden, gehandeld)
    • ageren werkwoord (ageer, ageert, ageerde, ageerden, geageerd)

Conjugations for act:

present
  1. act
  2. act
  3. acts
  4. act
  5. act
  6. act
simple past
  1. acted
  2. acted
  3. acted
  4. acted
  5. acted
  6. acted
present perfect
  1. have acted
  2. have acted
  3. has acted
  4. have acted
  5. have acted
  6. have acted
past continuous
  1. was acting
  2. were acting
  3. was acting
  4. were acting
  5. were acting
  6. were acting
future
  1. shall act
  2. will act
  3. will act
  4. shall act
  5. will act
  6. will act
continuous present
  1. am acting
  2. are acting
  3. is acting
  4. are acting
  5. are acting
  6. are acting
subjunctive
  1. be acted
  2. be acted
  3. be acted
  4. be acted
  5. be acted
  6. be acted
diverse
  1. act!
  2. let's act!
  3. acted
  4. acting
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

act [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the act (deed; action)
    de handeling; de actie; aktie; de daad
    • handeling [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • actie [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • aktie [znw.] zelfstandig naamwoord
    • daad [de ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor act:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
actie act; action; deed action; campaign; demonstration; protest; public protest; rally
ageren agitating; operate; perform; work
aktie act; action; deed
daad act; action; deed
handelen agitating; operate; perform; work
handeling act; action; deed
optreden bearing; behavior; behaviour; conduct; demeanor; demeanour; deportment; way of behaving
uitvoeren execution; implementation
- bit; deed; enactment; human action; human activity; number; routine; turn
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
acteren act; perform act a part; impersonate; play the role of; play-act
ageren act; agitate; deal; deal with
doen accomplish; act; do
doen alsof act; dramatise; dramatize; perform; play; play-act; pretend
handelen accomplish; act; agitate; deal; deal with; do carry on a business; operate; proceed; trade; work
optreden act; perform operate; proceed; work
performen act; perform
spelen act; dramatise; dramatize; perform; play; play-act; pretend
toneelspelen act; dramatise; dramatize; perform; play; play-act; pretend act a part; impersonate; play the role of; play-act
uitrichten accomplish; act; do
uitvoeren accomplish; act; do execute; export
verrichten accomplish; act; do
zich aanstellen act; dramatise; dramatize; perform; play; play-act; pretend act a part; play-act
- act as; behave; dissemble; do; move; play; playact; pretend; represent; roleplay; work
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- proceed

Verwante woorden van "act":


Synoniemen voor "act":


Antoniemen van "act":


Verwante definities voor "act":

  1. something that people do or cause to happen2
  2. a legal document codifying the result of deliberations of a committee or society or legislative body2
  3. a short theatrical performance that is part of a longer program2
    • he did his act three times every evening2
  4. a subdivision of a play or opera or ballet2
  5. a manifestation of insincerity2
    • he put on quite an act for her benefit2
  6. behave in a certain manner; show a certain behavior; conduct or comport oneself2
    • You should act like an adult2
    • The dog acts ferocious, but he is really afraid of people2
  7. pretend to have certain qualities or state of mind2
    • He acted the idiot2
  8. discharge one's duties2
    • She acts as the chair2
    • In what capacity are you acting?2
  9. play a role or part2
    • She wants to act Lady Macbeth, but she is too young for the role2
  10. perform on a stage or theater2
    • She acts in this play2
    • He acted in `Julius Caesar'2
  11. behave unnaturally or affectedly2
    • She's just acting2
  12. perform an action, or work out or perform (an action)2
    • think before you act2
    • The governor should act on the new energy bill2
    • The nanny acted quickly by grabbing the toddler and covering him with a wet towel2
  13. be engaged in an activity, often for no particular purpose other than pleasure2
  14. have an effect or outcome; often the one desired or expected2
    • How does your idea work in practice?2
    • The breaks of my new car act quickly2
  15. be suitable for theatrical performance2
    • This scene acts well2

Wiktionary: act

act
verb
  1. to have an effect on
  2. to respond to information
  3. to behave in a certain way
  4. to perform a theatrical role
  5. to do something
noun
  1. division of theatrical performance
  2. process of doing
  3. statute
  4. deed
act
noun
  1. optreden, nummer
  2. deel van een toneelspel
  3. bewust gepleegde handeling
  4. datgene dat gedaan is
  5. resultaat van een actie (die vaak met enige moeite gepaard gaat)
verb
  1. (inergatief) een rol vervullen in een toneelspel
  2. een bepaalde functie vervullen
  3. controlerende of bestraffende maatregelen uitvoeren

Cross Translation:
FromToVia
act werk Werk — (groß) Schöpfung eines Künstlers oder Kreativen
act behandeling acte — Action
act akte; document; bedrijf; bescheid; papier; schriftuur; stuk documentécrit qui sert de preuve ou de renseignement.
act oplichterij escroquerieaction d’escroquer.
act functioneren; het doen; in zijn werk gaan; werken fonctionneraccomplir sa fonction, en parlant d’un mécanisme, d’un organe, etc.
act gebaar; geste gesteaction et mouvement du corps et particulièrement des bras et des mains, action et mouvement employés à signifier quelque chose.
act beïnvloeden; invloed hebben op influerfaire impression sur une chose, exercer sur elle une action qui tendre à la modifier.
act wet loirègle, obligations écrites, prescrites ou tacites, auxquelles les hommes se doivent de se conformer.
act numero; nummer numéroidentifiant alphanumérique ou purement numérique qu’on mettre sur quelque chose et qui servir à la reconnaître.
act opereren; maken; aanmaken; bedrijven; doen; uitbrengen; uitrichten; uitvoeren; effect sorteren; uitwerking hebben; werken; uitwerken; ageren; bezig zijn; handelen; optreden; te werk gaan opéreraccomplir une œuvre, produire un effet.
act lijken; overkomen; schijnen; toeschijnen; voorkomen; zich vertonen; zichtbaar worden; er uitzien; het uiterlijk hebben van; er uitzien als; opdagen; opdraven; te voorschijn komen; uitkomen; verschijnen paraîtreexposer à la vue, se faire ou se laisser voir, se manifester.
act akte; document; bedrijf; kamer; lokaal; vertrek; bonk; brok; eindje; stukje; homp piècepartie, portion, morceau d’un tout.
act te werk gaan procéderprovenir, tirer son origine.
act lijken; overkomen; schijnen; toeschijnen; voorkomen sembler — avoir l’air, l’apparence

Verwante vertalingen van active