Overzicht
Nederlands naar Frans:   Meer gegevens...
  1. bezet:
  2. bezetten:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor bezet (Nederlands) in het Frans

bezet:

bezet bijvoeglijk naamwoord

  1. bezet (drukbezet; druk)
    turbulent; enjoué; vive; remuant; joyeux; animé; vif; gai; gaiement; avec vivacité; alerte; avec animation
  2. bezet
    occupé, e
  3. bezet
    occupé

Vertaal Matrix voor bezet:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
alerte alarm; alert; hulpgeroep; hulpkreet; melding; noodkreet; noodsignaal; waarschuwing
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
occupé bezet actief; bedrijvig; bezig; druk; gebonden; niet vrij; onledig; onledig houden met
occupé, e bezet
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
alerte bezet; druk; drukbezet ad rem; adrem; alert; bijdehand; blij; blijmoedig; dartel; energiek; flitsend; geagiteerd; geanimeerd; gevat; hip; levendig; levenslustig; modieus; monter; opgetogen; opgewekt; oplettend; raak; slagvaardig; snedig; snel; tierig; trendy; uitgeslapen; verhit; vief; vlot; vol fut; vrolijk; wakker
animé bezet; druk; drukbezet actief; bedrijvig; bevlogen; beweeglijk; bezield; bezig; blij; blijgeestig; blijmoedig; dartel; druk; drukpratend; dynamisch; energiek; enthousiast; fideel; fleurig; geanimeerd; geestdriftig; geestig; jolig; kleurig; kwiek; lawaaierig; levendig; levenslustig; luid; luidruchtig; lustig; monter; onrustig; opgeruimd; opgetogen; opgewekt; roerig; rumoerig; tierig; uitgelaten; vief; vol fut; vrolijk; wakker; welgemoed; woelig; zonnig
avec animation bezet; druk; drukbezet blij; blijmoedig; dartel; druk; drukpratend; geanimeerd; levendig; levenslustig; monter; opgetogen; opgewekt; tierig; vrolijk
avec vivacité bezet; druk; drukbezet actief; beweeglijk; blij; blijmoedig; dartel; druk; drukpratend; dynamisch; energiek; geanimeerd; levendig; levenslustig; monter; opgetogen; opgewekt; tierig; vrolijk
enjoué bezet; druk; drukbezet blij; blijgestemd; blijmoedig; dartel; gemoedelijk; goed geluimd; goedgehumeurd; goedgeluimd; jolig; joviaal; levendig; levenslustig; monter; opgetogen; opgewekt; speels; tierig; uitgelaten; verblijd; verheugd; vrolijk; welgemoed; welgestemd
gai bezet; druk; drukbezet aardig; blij; blijgeestig; blijgestemd; blijmoedig; dartel; fideel; fleurig; geestig; geinig; goed geluimd; goedgehumeurd; goedgeluimd; goedlachs; grappig; jolig; kleurig; koddig; komiek; komisch; kwiek; lachwekkend; leuk; levendig; levenslustig; lief; lollig; lustig; monter; opgeruimd; opgetogen; opgewekt; speels; sympathiek; tierig; uitgelaten; verblijd; verheugd; vrolijk; wakker; welgemoed; welgestemd; zonnig
gaiement bezet; druk; drukbezet blij; blijgeestig; blijmoedig; dartel; fideel; fleurig; geestig; goedgehumeurd; goedgeluimd; heugelijk; heuglijk; jolig; kleurig; kwiek; levendig; levenslustig; lustig; monter; opgeruimd; opgetogen; opgewekt; speels; tierig; uitgelaten; verblijdend; vrolijk; wakker; welgemoed; welgestemd; zonnig
joyeux bezet; druk; drukbezet blij; blijgeestig; blijgestemd; blijmoedig; dartel; fideel; fleurig; geestig; goed geluimd; goedgehumeurd; goedgeluimd; goedlachs; jolig; kleurig; kwiek; levendig; levenslustig; lustig; monter; opgeruimd; opgetogen; opgewekt; tierig; uitgelaten; verblijd; verheugd; vreugdevol; vrolijk; wakker; welgemoed; welgestemd; zonnig
remuant bezet; druk; drukbezet actief; beweeglijk; blij; blijmoedig; dartel; dynamisch; energiek; levendig; levenslustig; monter; onrustig; opgetogen; opgewekt; roerig; spartelend; tierig; vrolijk; woelig
turbulent bezet; druk; drukbezet bewogen; blij; blijmoedig; dartel; lawaaierig; levendig; levenslustig; luid; luidruchtig; monter; ongedurig; onrustig; opgetogen; opgewekt; roerig; rumoerig; stoeiziek; tierig; turbulent; uitbundig; uitgelaten; veelbewogen; vrolijk; woelig
vif bezet; druk; drukbezet actief; ad rem; adrem; alert; beweeglijk; bijdehand; bitter; bitter van smaak; blij; blijmoedig; dapper; dartel; dynamisch; energiek; erg; fel; ferm; flink; flitsend; geagiteerd; gevat; hanig; heftig; hel; hevig; hip; intens; intensief; kien; kittig; krachtig; levendig; levenskrachtig; levenslustig; modieus; moedig; monter; moreel sterk; onbeheerst; ongeblust; onstuimig; opgetogen; opgewekt; oplettend; pienter; pinnig; raak; rap; scherp; scherpzinnig; slagvaardig; slim; snedig; snel; snibbig; spits; spitsvondig; tierig; trendy; uitgekiend; uitgekookt; uitgeslapen; verhit; verwoed; vinnig; vitaal; vlijmend; vlot; vlug; vrolijk; wakker
vive bezet; druk; drukbezet actief; ad rem; adrem; beweeglijk; bijdehand; blij; blijmoedig; dartel; dynamisch; energiek; fel; flitsend; gevat; heftig; hevig; hip; intens; levendig; levenslustig; monter; opgetogen; opgewekt; raak; slagvaardig; snedig; snel; tierig; trendy; verwoed; vlot; vrolijk; wakker

Verwante definities voor "bezet":

  1. een ander land of een andere groep is er de baas1
    • dit gebied is bezet door de moslims1
  2. in gebruik door iemand anders1
    • de toilet is bezet1

Wiktionary: bezet

bezet
adjective
  1. gedomineerd door de aanwezigheid van...

Cross Translation:
FromToVia
bezet engagé engaged — already involved in a telephone call
bezet occupé occupied — reserved
bezet occupé occupied — busy
bezet occupé occupied — militarily subjugated

bezet vorm van bezetten:

bezetten werkwoord (bezet, bezette, bezetten, bezet)

  1. bezetten (ontoegankelijk maken)
    occuper; rendre inaccesible; prendre
    • occuper werkwoord (occupe, occupes, occupons, occupez, )
    • rendre inaccesible werkwoord
    • prendre werkwoord (prends, prend, prenons, prenez, )

Conjugations for bezetten:

o.t.t.
  1. bezet
  2. bezet
  3. bezet
  4. bezetten
  5. bezetten
  6. bezetten
o.v.t.
  1. bezette
  2. bezette
  3. bezette
  4. bezetten
  5. bezetten
  6. bezetten
v.t.t.
  1. heb bezet
  2. hebt bezet
  3. heeft bezet
  4. hebben bezet
  5. hebben bezet
  6. hebben bezet
v.v.t.
  1. had bezet
  2. had bezet
  3. had bezet
  4. hadden bezet
  5. hadden bezet
  6. hadden bezet
o.t.t.t.
  1. zal bezetten
  2. zult bezetten
  3. zal bezetten
  4. zullen bezetten
  5. zullen bezetten
  6. zullen bezetten
o.v.t.t.
  1. zou bezetten
  2. zou bezetten
  3. zou bezetten
  4. zouden bezetten
  5. zouden bezetten
  6. zouden bezetten
diversen
  1. bezet!
  2. bezet!
  3. bezet
  4. bezettend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor bezetten:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
occuper bezetten; ontoegankelijk maken bedekken; bekleden; bezighouden; overtrekken; veroveren
prendre bezetten; ontoegankelijk maken aangaan; aanhouden; aanklampen; aannemen; aanpakken; aanvaarden; aanvangen; aanwerven; aanwrijven; absorberen; accepteren; achteroverdrukken; afhalen; afhalen en meenemen; afnemen; arresteren; beetgrijpen; beetnemen; beetpakken; beginnen; benemen; beroven van; beschuldigen; bevangen; bezigen; binden; blameren; boeien; buitmaken; cadeau aannemen; depriveren; eigen maken; fascineren; gappen; gebruik maken van; gebruiken; gevangennemen; graaien; grijpen; grissen; hanteren; iemand iets aanrekenen; iemand iets verwijten; iets bemachtigen; iets halen; in ontvangst nemen; ingrijpen; inpikken; inrekenen; intrigeren; jatten; kapen; ketenen; kiezen; klauwen; kluisteren; kopen; kwalijk nemen; laken; leegstelen; meenemen; nadragen; nemen; ondernemen; ontfutselen; ontnemen; ontvangen; ontvreemden; ophalen; opnemen; oppakken; oppikken; oprapen; opslorpen; opslurpen; opsnappen; pakken; pikken; plunderen; rekruteren; roven; schiften; selecteren; selectie toepassen; snaaien; starten; stelen; te kort doen; te pakken krijgen; toegrijpen; toetasten; toeëigenen; uitkiezen; uitpikken; uitzoeken; van start gaan; vangen; vastgrijpen; vastklampen; vastnemen; vastpakken; vatten; verdonkeremanen; verdonkeren; verduisteren; verkrijgen; veroveren; verstrikken; vervreemden; verwerven; voor de voeten gooien; weghalen; wegkapen; wegnemen; wegpakken; wegpikken; werven; zich bedienen; ziften
rendre inaccesible bezetten; ontoegankelijk maken
- innemen

Synoniemen voor "bezetten":


Verwante definities voor "bezetten":

  1. de leiding overnemen1
    • in de oorlog werd Nederland door Duitsland bezet1
  2. uit protest in beslag nemen1
    • deze actiegroep heeft de kerk bezet1
  3. een plaats in beslag nemen1
    • de hele rij stoelen was door onze familie bezet1

Wiktionary: bezetten

bezetten
verb
  1. Traductions à trier suivant le sens

Cross Translation:
FromToVia
bezetten occuper occupy — have (taken) control of

Verwante vertalingen van bezet